Faber is de personificatie van het kabinet-Schoof. Alles wat zij doet is tekenend voor de werkwijze van dit kabinet en de politiek-morele principes waarop dit kabinet is gegrond. Gedurende het wetgevings- en besluitvormingsproces worden betrokken partijen (maatschappelijk middenveld, decentrale overheden en de Kamer) niet tot nauwelijks betrokken. En op zijn zachtst gezegd kun je twisten over de effectiviteit van Fabers besluitvorming, die vaak inhumane gevolgen heeft.
Het moment dat dit kabinet valt, zal voor elke rechtgeaarde democraat aanvoelen als een bevrijdingsdag; de Nederlandse driekleur kan dan eindelijk weer met trots gehesen worden. Immers, dit amateurisme, deze autocratische bestuursstijl en deze normloze politiek horen niet bij wat Nederland in de kern is of zou moeten zijn. Daarom is het ook een schande dat deze politici, voornamelijk van BBB- en PVV-huize, ons land tijdens Europese en internationale aangelegenheden mogen vertegenwoordigen.
Decentrale overheden moeten het maar uitzoeken
De relatie tussen decentrale overheden en Faber is, kort gezegd, belabberd. Er is vooral veel onduidelijkheid bij gemeenten over wat deze minister van hen verwacht, hoe haar beleid er concreet uit zal zien, en daarnaast intervenieert ze tot op detailniveau in het gemeentelijke beleid. Haar relatie met decentrale overheden bevestigt dat zij een sterke voorkeur heeft voor een autoritaire bestuursstijl – als dat nog niet al bevestigd was door haar uitspraak: ‘Ik ben beleid.’
Zo hebben gemeenten van minister Faber te horen gekregen dat hun huisvesting voor statushouders niet ‘sober genoeg’ zou zijn. Zo zou een woonsituatie in Apeldoorn met gedeelde sanitaire voorzieningen en ieder een eigen slaapkamer al veel te comfortbal zijn. Hierdoor kregen gemeenten van Faber geen financiële middelen om opvanglocaties te realiseren. Maar de voorwaarden waaraan die sobere doorstroomlocaties moeten voldoen, zijn volstrekt onduidelijk voor de gemeenten; deze eisen worden niet expliciet gemaakt door Faber. Wanneer de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) meerdere brieven opstelt met het verzoek om hier duidelijkheid over te verschaffen, geeft Faber niet thuis. De gemeenten weten zodoende aan de voorkant niet wat er van Faber wordt verwacht, en als zij hierover duidelijkheid vragen, doet Faber haar werk simpelweg niet.
Ze is in naam wel minister van Migratie en blinkt uit in het verkondigen van kordate spierballenretoriek, maar in de praktijk is haar ministerschap slechts een theatrale vertoning. Achter dat theaterstuk zie je dat de minister niet geïnteresseerd is in de saaie, technische aspecten van het ambt. Het gevolg is dat decentrale overheden in de kou staan en niet verder kunnen met de ontwikkeling van lokaal asielbeleid. De slechte communicatie leidt tot beleidsmatige stilstand. Immers, lokale bestuurders kunnen niet verder met de realisering van doorstroomlocaties, omdat de minister geen geld alloceert – want deze zijn niet ‘sober genoeg’. Dat het ambtelijke apparaat wel zou doordraaien, ondanks dat de minister slechts als populistische figurant optreedt, is dus helaas een misvatting. Ze chaotiseert en ontregelt de hele beleidscyclus en laat onduidelijkheid bestaan.
De gemeenten werden eveneens het slachtoffer van Fabers ambigue, directieve bestuursstijl tijdens haar plannen om de Koninklijke Marechaussee in te zetten bij de Nederlandse grens. Allereerst werden de gemeenten in de voorfase van de besluitvorming onvoldoende betrokken. Faber achtte het kennelijk onnodig om input in te winnen uit de lokale praktijk om haar xenofobe plannen te verfijnen en beter toe te spitsen op diezelfde lokale praktijk. Daarnaast werden grensgemeenten, na voltooiing van de plannen voor verscherpte grenscontroles, totaal niet geïnformeerd over de maatschappelijke gevolgen ervan, zoals de consequenties die het extra grenstoezicht heeft op het woon-werkverkeer in de regio.
Faber levert dus broddelwerk af en begrijpt niet dat het van belang is om de betrokken partijen – in dit geval de decentrale overheden – mee te nemen in het besluitvormingstraject. Dit is niet alleen van belang om draagvlak te winnen bij de lokale bestuurders, maar ook om gemakkelijker de brug te kunnen slaan tussen de theoretische, bestuurstechnische wereld op Rijksniveau en de bestuurlijke praktijk waar wethouders dagelijks mee te maken hebben. Deze solistische koers maakt de kans simpelweg groter dat Faber slordig wetgevend en besluitvormend werk aflevert.
Maar de PVV is, net zoals alle populistische partijen, geenszins geïnteresseerd in de kwaliteit van het landsbestuur. Het gaat erom dat Faber een positieve indruk maakt bij de achterban: hoe sneller de strikte maatregelen elkaar opvolgen, hoe daadkrachtiger Faber overkomt. Of dat broddelwerk is, is vers twee.
Maatschappelijke middenveld mag zich er niet mee bemoeien
Uit het voorgaande werd al duidelijk dat Faber graag het hele beleidsproces wil toe-eigenen en zich wil afsluiten van andere partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van haar plannen. Ze wil heel graag de gehele besluitvoering sturen, maar tegelijkertijd toont ze opvallend weinig interesse in de technische aspecten die onderdeel uitmaken van haar werk.
Naast lokale overheden blijkt ook dat de Orde van Advocaten (NOvA) en het maatschappelijke middenveld ernstig verontwaardigd zijn over de wijze waarop deze minister hen betrekt bij de beleidsontwikkeling. De minister is op dit moment in een uitzonderlijk snel tempo bezig met het vervaardigen van twee wetswijzigingen aangaande de invoering van een tweestatusstelsel en de invoering van een striktere nareizigersregeling. Normaliter hebben burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties een termijn van vier weken om met de verantwoordelijke minister van gedachten te wisselen en haar te wijzen op eventuele pijnpunten. De pijnpunten zijn er wel degelijk volgens de stakeholders en deze zijn zowaar van rechtstatelijke aard: het tweestatussysteem en de strengere nareisregels kunnen tot discriminatie leiden en de rechten van kwetsbare groepen, zoals minderjarigen, worden nauwelijks in ogenschouw genomen. Maar deze rechtsstatelijke zorgen kunnen door de NOvA niet goed voor het voetlicht worden gebracht, omdat Faber hier niet genoeg tijd en ruimte voor verleent.
Faber is dus, blijkens deze casus, op twee manieren roofbouw aan het plegen op de rechtsstaat: ze ontregelt de checks en balances die tijdens het wetgevingsproces zijn ingebouwd en het resultaat van de wetgeving duidt erop dat fundamentele rechten van mensen worden ondermijnd. Faber hanteert dus een leiderschapsstijl die linea recta afkomstig is uit het Orbáneske handboek; zij, en zij alleen, heeft invloed op de ontwikkeling van het beleid, en andere partijen moeten zoveel mogelijk naar de pijpen van mevrouw Faber dansen of desnoods worden gemuilkorfd.
Kamer wordt geschoffeerd door Faber
Fabers werkwijze heeft ook zijn weerslag op de werking van onze parlementaire democratie. Kamerleden moeten buitengewoon veel moeite doen om een professionele verstandhouding op te bouwen met Faber; ze lijkt totaal afgesloten te zijn van de (kritische) buitenwereld. Kamerleden die het asieldossier voor hun rekening nemen, zeggen nog nooit contact te hebben gehad met de minister. Zo zegt woordvoerder asielzaken Henri Bontenbal (CDA) het volgende: ‘Nul, niks. Ik heb nog nooit contact gehad de afgelopen maanden met minister Faber.’ Dit is vooral problematisch vanwege het simpele feit dat dit de informatiepositie van de Kamer ondermijnt. Immers, Fabers departement beschikt over een karrenvracht aan experts die de Kamer nader zouden kunnen informeren over al die ‘indrukwekkende’ plannen om ‘het strengste asielbeleid ooit’ te gaan uitvoeren. De importantie van de Kamer, als hoogste democratische orgaan, wordt dus miskend door Faber; de machtsverhouding tussen parlement en regering raakt hierdoor uit balans.
Deze ontwikkeling wordt door Faber geaccelereerd, omdat haar productiviteit zich op een uitzonderlijk laag niveau bevindt. Kamerleden die schriftelijke vragen stellen aan minister Faber over haar voorgenomen plannen, worden na maanden nog altijd niet beantwoord. Voorafgaand aan de invoering van verscherpte grenscontroles hadden bijvoorbeeld de Kamerleden Podt (D66) en Koekoek (Volt) reeds in de zomer vragen gesteld hierover. Vorige week, tijdens het plenaire debat, werd Faber hierover kritisch bevraagd door beide Kamerleden. De zichtbare ergernis bij Podt en Koekoek is zeer begrijpelijk, want minister Faber doet wel alsof ze een doortastende, productieve minister is, maar het meest basale werk wordt gewoon niet verricht. En ook Kamervragen in de plenaire zaal worden gewoonweg niet beantwoord. Dan valt ze terug op haar doodvermoeiende mantra’s: ‘Ik ga het strengste asielbeleid ooit uitvoeren.’ Of: ‘Mijn missie is om de asielinstroom fors te beperken.’ In veel gevallen is dat dus geen adequaat antwoord op de technische aspecten van haar maatregelen of aanstaande wetgeving, maar op sociale media kan hier toch weer een filmpje van geknipt worden, waarmee Faber honderdduizenden weergaven kan verkrijgen. Kortom, deze inactieve houding is een regelrechte schoffering van de Kamer, en aangezien de Kamer een afspiegeling behoort te zijn van de bevolking, dus ook (indirect) van de Nederlandse kiezers.
Faber, en alleen Faber, is volgens Faber belangrijk inzake het asielbeleid, en de rest moet zoveel mogelijk kaltgestellt worden. Faber is daarmee de antithese van de traditionele bestuurscultuur in Nederland, waarin gepolderd wordt, men tot consensus komt, en waarbij alle betrokken actoren enige zeggenschap hebben, ook om breed in de samenleving draagvlak te creëren. Nee, deze ‘nationalist’ verkiest de Hongaarse of Russische bestuursstijl boven het Nederlandse poldermodel.
Inhumane, kortzichtige effecten van Fabers beleid
Het voorgaande ging primair over de inactieve en autoritaire handelswijze van minister Faber. Deze is on-Nederlands; het hoort niet bij onze parlementaire traditie. Het ging echter vooral over haar procesmatige werkwijze: hoe komt ze tot haar finale beslissingen? Ik wil ook nog kort stilstaan bij de aard van haar maatregelen en de effectiviteit ervan. Wat Faber doet, is de gehele asielketen ruïneren, gebaseerd op puur wensdenken, namelijk dat de asielinstroom op termijn pardoes zal opdrogen. Dit wensdenken is ook terug te zien in de meerjarige financiering van de asielketen, die door Faber vakkundig wordt afgebouwd. Als de instroom op een vergelijkbaar niveau blijft als dat het nu is, dan moet Faber ad-hoc asielopvang creëren. Die crisisopvang loopt altijd in de papieren; hier moet je denken aan contractuele overeenkomsten met hotels of cruiseschipeigenaren.
Dan de eis van Faber aan gemeenten om hen te verplichten tot het realiseren van ‘sobere opvang’ voor statushouders. Het integratieproces is erbij gebaat dat statushouders onder redelijke omstandigheden worden ondergebracht, zodat ze in alle rust kunnen beginnen met hun doel om een volwaardig lid te worden van onze samenleving. Dat wil Faber klaarblijkelijk voorkomen, want doorstroomlocaties waar statushouders een gedeeld toilet en keuken hadden, werden al te lux bevonden. Voorts wil Faber de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afschaffen. Dit is in moreel opzicht verwerpelijk. Mensen die hier reeds jaren geaard zijn, wellicht een gezin hebben gesticht of de taal hebben geleerd, worden dan rücksichtslos teruggestuurd naar het land van afkomst. Het Nederlanderschap wordt zo voor asielzoekers op disproportionele wijze bemoeilijkt.
Ik denk dat het verscherpte grenstoezicht van Faber de kroon spant. Met 50 mensen van de Koninklijke Marechaussee worden de binnengrenzen gecontroleerd om illegale grensbewegingen tegen te gaan. De Nederlandse binnengrenzen kennen meer dan 800 grenstoegangen, maar Faber denkt dat het desondanks een goed idee is om onze kostbare mannen en vrouwen van de Marechaussee hiervoor op te offeren, voor deze totale symboolpolitieke maatregel. Een maatregel die sowieso geen enkel effect zal opleveren, omdat asielzoekers het recht hebben om asiel aan te vragen in ons land. De Koninklijke Marechaussee zal deze mensen zodoende vriendelijk doorgeleiden naar de asielketen, die stap voor stap wordt ontmanteld door Faber. Het eindresultaat is dus niet enkel tragikomisch, het is in allerlei opzichten inhumaan.
Ik denk dat Faber dan ook de belichaming is van het kabinet-Schoof, of in ieder geval van wat we het afgelopen half jaar ervan hebben gezien. Het is een cocktail van inhumaniteit en amateurisme die over ons land wordt uitgestort. De dag dat kabinet-Schoof zal ophouden te bestaan, zal voor mij als een bevrijdingsdag aanvoelen. Dit kabinet hoort niet bij Nederland; we moeten terug naar de politieke tijden waarin humaniteit de boventoon voerde en naar een politiek bestaande uit professionals. Sinds het toeslagenschandaal is hier de klad ingekomen. Het is aan jonge politici om Nederland weer op een fatsoenlijke wijze te besturen!
Steun het anti-populistische geluid!
Wil je dit opiniërende platform maandelijks steunen met een bescheiden financiële bijdrage? Dat kan via deze link: Columns (stripe.com) Of steun het platform eenmalig met een bedrag naar keuze invullen: https://buy.stripe.com/00g176ce24rc3Cg3cc
