Geschreven door: Robert Peter Kuijper en Daniël Speetjens
Omtzigt, door media en politiek steevast geprezen als de kampioen van transparantie en rechtvaardigheid in de Nederlandse politiek voor de verdrukten der aarde, heeft de politiek vrij plotseling verlaten. Zijn werk rond de Toeslagenaffaire heeft hem een reputatie bezorgd van een politicus die strijdt voor de rechten van burgers en tegen onrechtvaardige praktijken van de overheid. Echter, de mantel van beschermheilige van de democratische rechtsstaat vertoont de nodige vlekken, scheuren en rafels.
In dit artikel zetten we uiteen waarom het verheerlijken van de persoon van Omtzigt, fractievoorzitter van de NSC-fractie in de Tweede Kamer, onterecht is en laten we zien dat hij juist meer schade heeft aangericht aan de democratische rechtsstaat dan veel andere politici in de Nederlandse politieke geschiedenis hebben gedaan. We illustreren dat aan de hand van onder meer zijn niet zo fraaie rol in de Toeslagenaffaire, de inconsistentie in zijn stemgedrag in de Tweede Kamer ten opzichte van zijn aspiraties en pretenties en zijn rol in de vorming van het eerste openlijk racistische en discriminatoire Nederlandse kabinet sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog en de onterechte mythe van ‘Omtzigt de dossiertijger’.
De Toeslagenaffaire
De rol van Omtzigt in het blootleggen van de wat we nu kennen als de Toeslagenaffaire is vooral door Omtzigt zelf ernstig overdreven. De affaire is blootgelegd door de Helmondse advocate Eva Gonzalez-Perez, die daarvoor geheel terecht ook koninklijk is onderscheiden. Zij was het die in eerste instantie Renske Leijten (SP) en Farid Azarkan (Denk) wist te overtuigen dat actie nodig was. Hun acties trokken de aandacht van Omtzigt, die er vervolgens ook mee aan het werk ging. Omtzigt was als doorgewinterde CDA-er meer bedreven in het zichzelf verkopen als kampioen van de slachtoffers dan de andere twee. Maar in tegenstelling tot de andere twee is Omtzigt wél een van de grote aanjagers van wat uiteindelijk die affaire werd. Omtzigt was de aanjager van de onrechtmatige fraudeaanpak en deed uiteindelijk als voorzitter van de verantwoordelijke Vaste Commissie van de Tweede Kamer niets om deze tegen te gaan.
Omtzigt beweerde op 13 maart 2021 in de Leeuwarder Courant: “Ik ben vier jaar lang voorgelogen door het kabinet dat ik heb gesteund. Ja hallo, dat is me niet in de kouwe kleren gaan zitten. Er is iets in mij geknakt dat nog niet is hersteld”. Dat is een onmiskenbare leugen. Omtzigt wist van meet af aan precies hoe risicoprofielen door de Belastingdienst werden opgesteld en hoe de fraudeopsporingsteams te werk gingen. Hij wist dat, omdat hij zelf had meegewerkt aan de ontwikkeling en invoering van die systematiek. Hij heeft veelvuldig benadrukt dat vooral buitenlandse fraudeurs beter en harder moesten worden aangepakt.
Het was direct duidelijk dat de strenge handhaving ook burgers die zonder kwade opzet een fout maakten, kon treffen. Toen een voorstel werd gedaan om voor die burgers – een enorm grote groep – een uitzondering te maken, stemde Omtzigt ook wederom voor rigoureuze handhaving. Omtzigt is dus niet voorgelogen, maar hij is degene die liegt, wetende dat de gemiddelde kiezer wel televisiekijkt en berichten op sociale media leest, maar zich niet bezighoudt met parlementaire geschiedenis. Had men dat wel gedaan, dan had men geweten dat Omtzigt eerst één van de voorvechters was van een soepele toekenning van toeslagen, en toen dat vastliep de overheid beschuldigde te soft te zijn en eiste dat fraudeurs stevig zouden worden aangepakt, om, toen dat een aantal jaren was gedaan, diezelfde overheid ervan te beschuldigen te hard te hebben gehandhaafd. Dat de Nationale Ombudsman al in 2014 aangaf dat de fraude – ook die door Bulgaren – zwaar werd overdreven, was ook bij Omtzigt tegen dovemansoren gezegd, en de deskundige mening van de Ombudsman woog niet op tegen de scoringsdrift van politici zoals hij.
Het duurde tot 2017 voordat Omtzigt als een blad aan de boom omdraaide en opeens van slachtoffers sprak, om de Omtzigt te worden die we nu denken te kennen. Die draai kwam pas nadat niet Omtzigt, maar, zoals gezegd, González-Pérez de affaire aan het licht had gebracht. Hoewel niet kan worden ontkend dat Omtzigt zich voor de slachtoffers van de mede door hem veroorzaakte affaire heeft ingezet, geeft het een nare smaak in de mond als iemand die zich eerst in belangrijke mate heeft ingezet voor het ontstaan van de kernoorzaak van de affaire – namelijk nietsontziende handhaving – zich opwerpt als de grote verlosser door te helpen bij de oplossing ervan. Het feit dat Omtzigt glashard loog over zijn eigen rol in het ontstaan van de Toeslagenaffaire, vervolgens met de veren van González-Pérez, Leijten en Azarkan pronkt, en de schuld van zijn falen afschuift op anderen, bewijst dat hij een geringe bereidheid heeft om de gevolgen van zijn eigen optreden te aanvaarden of die zelfs maar onder ogen te willen zien. Pieter’s ego, dat is wat telt.
Omtzigts stemgedrag van een weerhaan en de verloochening van de bescherming van de rechtsstaat
Omtzigt is verre van consistent in zijn stemgedrag. Zonder te willen stellen dat het onjuist zou zijn om je mening over een onderwerp bij te stellen (leren is tenslotte niet verboden), vertoont het stemgedrag van de parlementariër Omtzigt grote gelijkenis met het gedrag van een weerhaan in een orkaan.
Voor en tijdens de verkiezingen van 2023 heeft Omtzigt Nederland bedolven onder uitvoerige uiteenzettingen over het belang van goed bestuur en een sterke rechtsstaat. Hoewel hij pretendeert in dat kader een onafhankelijke rechte koers te varen, geldt echter dat hij, net als elke andere moderne politicus zijn eigen politieke belangen behartigt, waarbij zijn politieke handelen geregeld afwijkt van wat hij predikt en geregeld meer gericht is op het behalen van politiek-electoraal voordeel op de korte termijn of het versterken van zijn eigen positie binnen de politieke arena dan op het daadwerkelijk beschermen van de rechtsstaat. Dit leidt geregeld tot selectieve aandacht voor bepaalde kwesties terwijl andere, even belangrijke of belangrijkere problemen worden genegeerd. Te denken valt aan zijn voorstel tot invoering van het constitutionele gerechtshof dat op het eerste oog heel rechtstatelijk lijkt, maar in de praktijk veel minder effectief is en minder rechtsbescherming biedt dan simpelweg het verbod van constitutionele toetsing door lagere rechters op te heffen. Dat Omtzigt vóór het voorstel van de SGP stemde om de toegang tot juist die lagere rechter in collectieve algemeen belangzaken te lastiger te maken bewijst dat hij veel minder oog heeft voor de rechtsstaat en rechtsbescherming van de burger dan hij pretendeert.
Op de korte termijn maakt Omtzigt de sier met een ogenschijnlijk lovenswaardig plan, maar aangezien dat onder meer een Grondwetswijziging vergt zal het nog jaren duren voordat een en ander rond is en dan ligt de aandacht van de kiezer allang weer ergens anders. Overigens is ook het idee van een constitutioneel gerechtshof geen origineel plan van Omtzigt, maar veel ouder en al herhaaldelijk voorgesteld onder meer door Johan Remkes.
Bij NSC stond één ding voorop, Omtzigt wilde “alleen regeren met partijen die de rechtsstaat heel houden.” Om die reden was regeren met de PVV volgens Omtzigt ondenkbaar. Op verkiezingsavond waren nog niet eens alle stemmen geteld of Omtzigt ging al door de knieën en stelde dat hij nu toch maar eens naar radicaal-rechts wilde kijken. Hij ondertekende uiteindelijk mede een regeerakkoord voor een zogenaamd extraparlementair kabinet dat, afgezien van het feit dat de premier niet afkomstig is uit een van de coalitiepartijen, in niets extraparlementair is gebleken. Mede door toedoen en de ruggengraatloosheid van Omtzigt staat het kabinet zelfs meer onder direct gezag van fractieleiders dan enig ander kabinet in de Nederlandse politieke geschiedenis. Om van de verdwenen dualiteit tussen de regering als wetgevende macht en de Kamer als controlerende macht en mede-wetgevende macht nog maar te zwijgen.
Van degelijk en solide bestuur kwam onder Omtzigt ook niets terecht. Zo zette hij zonder probleem zijn handtekening onder de motie waarin het demissionaire kabinet en de Eerste Kamer opgeroepen werden om een pas op de plaats te maken met de behandeling van de spreidingswet, wat zo’n beetje tegen elke staatsrechtelijke regel indruist. Zogenaamde ‘kampioen van de rechtstaat’ Omtzigt zou er schande van hebben gesproken. Ook ondersteunde hij de motie van de SGP om de toegang tot de rechter te beperken voor belangenorganisaties, om middels collectieve procedures publiek-belang zaken aan te brengen, en stemde hij tegen de motie om de bevoegdheid van burgemeesters in te trekken om woningen en lokalen op grond van de Opiumwet te sluiten in gevallen waarin objectief aantoonbaar geen sprake was van overlast.
Tenslotte gaf de coalitie, in strijd met Omtzigts betoog voor de transparantie van overheidsbeleid, te kennen dat: “De juridische toets van het hoofdlijnenakkoord, waarin ambtenaren waarschuwen voor de zwakke plekken van de coalitieplannen, […] vooralsnog niet gedeeld [wordt] met de Tweede Kamer. Een verzoek daartoe vanuit de oppositie kreeg … niet de steun van de formerende partijen. Ook Pieter Omtzigts NSC is tegen.” Dat niet alleen de Raad voor de Rechtspraak, de Nederlandse Orde van Advocaten, de Raad van State, tal van vooraanstaande rechtsgeleerden, maar ook ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken van mening waren/zijn dat er nogal wat voorstellen zijn die op gespannen voet staan met de Grondwet, vond Omtzigt ondanks het feit dat hij de rechtsstaat in stand wilde laten kennelijk geen probleem.
Het gemak waarmee Omtzigt punten laat vallen die voor hem naar eigen zeggen eerder principieel waren, als hem of NSC dat electoraal beter uitkomt, maakt hem onberekenbaar, maar vooral onbetrouwbaar en, door zijn onterechte air van rechtschapenheid, in zeker opzicht een groter gevaar voor de democratische rechtsstaat dan de populistische Wilders en de PVV.
Steun aan de PVV
De steun van Omtzigtaan de slachtoffers van de Toeslagenaffaire was in belangrijke mate een kwestie van zelfzuchtig electoraal eigenbelang en politiek opportunisme. Dat opportunisme blijkt ook uit het feit dat Omtzigt om de haverklap van positie verandert en hij, zodra duidelijk was geworden dat Wilders veel populairder bleek dan hij dacht, hij onmiddellijk door de knieën ging omdat hij coûte que coûte wilde meeregeren. Om dezelfde reden gaf hij steun aan de aan alle kanten rammelende plannen van minister ‘ik ben beleid‘ Faber op het gebied van migratie. Sinds duidelijk is dat – overigens als gevolg van zijn eigen ruggengraatloosheid – bij een kabinetscrisis met name NSC volledig zou verdwijnen, liet hij het verzet tegen de PVV-agenda varen. Omtzigt heeft daardoor (potentieel) evenveel schade aangericht in Nederland als Franz von Papen in 1933 deed in Duitsland. Hoewel Omtzigt voor en tijdens de verkiezingen Wilders en de PVV – overigens volkomen terecht – beschuldigde van populistische en polariserende retoriek, is hij daar zelf allesbehalve vies van. Omtzigt slingert zonder schroom ondoordachte simplistische oplossingen voor complexe problemen de ether in, die qua gedrag vergelijkbaar zijn met wat de PVV doet.
Hoewel hij – wederom terecht en zoals vele andere politici – kritiek had op het gebruik van de nazistische omvolkingstheorie door Marjolein Faber en vele andere PVV’ers, lanceerde hij in zijn H.J. Schoo-lezing op 1 september 2024 een eigen versie daarvan door te stellen dat Nederlandse vrouwen meer kinderen moesten baren, omdat Nederland steeds afhankelijker werd van arbeidsmigratie: “En dat gaat dan niet om mensen uit Polen,” waarschuwde hij. Om te vervolgen met: “De geopolitieke implicaties daarvan zijn moeilijk te onderschatten. Om een beeld te geven: in Ethiopië worden dit jaar meer kinderen geboren dan in alle 27 lidstaten van de EU samen. Voor Nigeria geldt dat er twee keer zoveel kinderen worden geboren als in de hele EU. Ik laat u raden wat dat betekent over twintig, dertig jaar.” Waarom arbeidsmigratie uit Afrika wél en bijvoorbeeld uit Polen géén probleem zou zijn, liet Omtzigt ook te ‘raden’. Voor ondergetekende is helder dat hij op even abjecte wijze gebruik maakte van onderbuikgevoelens als Janmaat, Glimmerveen, Le Pen, Haider, Fortuyn, Wilders, Baudet en Trump dat doen of deden. Dat maakt Omtzigt naast onbetrouwbaar ook hypocriet – en, als men afgaat op bovenstaande uitspraken en het onderscheid dat hij maakt in wenselijkheid tussen Polen en Afrikanen, een nauwelijks verholen racist.
Dan zijn er nog de populistische complottheorieën, die Omtzigt vol overtuiging de ether in slingert. Bij de onderhandelingen over de Voorjaarsnota 2025 bleek dat Omtzigt vrolijk zaken uit zijn duim zoog. Zo beweerde hij zonder enig bewijs dat hem getoonde tabellen van het Centraal Planbureau ’allemaal gemanipuleerd’ waren en dat er miljarden aan ‘verborgen’ overheidsgelden zouden zijn. Hoewel Omtzigt altijd wel een excuus heeft voor het feit dat hij tegen zijn eigen beleid in stemt en in dat kader een of andere obscure formaliteit opwerpt dat een voorstel niet ver genoeg ging of niet duidelijk genoeg was, heeft hij in ieder geval tijdens het kabinet Schoof zich niet (althans niet buitensporig) ingespannen om een voorstel dan middels een amendement aan te passen, noch is hij met een beter alternatief gekomen. Negenennegentig van de honderd keer stemt hij mee met de PVV, vooral wanneer Wilders zich een beetje driftig maakt en met een kabinetscrisis dreigt.
De mythe van ‘dossiertijger’ Omtzigt is vooral fictie
Dat de dossierkennis van Omtzigt even fictief is als zijn onvermoeibare inzet voor de bescherming van de vertrapten der aarde mag blijken uit het feit dat hij – zelf niet vies van het nodige demagogische populisme – in 2014 uit zijn frustratie over bepaalde door de Belastingdienst gegrond verklaarde bezwaren beweerde: “Het gebeurt nooit dat bezwaren tegen boetes in Nederland worden toegewezen, maar op alle 32 bezwaren van de Bulgaren hebben ze gelijk gekregen. Er is onterecht geld betaald en bezwaar gemaakt”.
Die stelling was om twee redenen evident onjuist en slechts bedoeld om het negatieve sentiment tegen Bulgaren aan te wakkeren – op een wijze die Wilders, Fortuyn en Janmaat trots zouden hebben gemaakt. In de eerste plaats gold dat, anders dan Omtzigt beweerde, het niet klopt dat bezwaren tegen bestuurlijke boetes nooit gegrond werden verklaard. Hoewel de bestuursrechters, net als in het bestuursrecht in het algemeen, ook ten aanzien van de recht- en doelmatigheidstoetsing van bestuurlijke boetes langere tijd te terughoudend zijn geweest vanwege een ongerechtvaardigd vertrouwen in de overheid, geldt dat daarin vanaf 2002 een kentering begon te komen en vanaf 2008 sprake was van een onmiskenbare stijging van het aantal gegrond verklaarde bezwaren en beroepen. Hoewel het landelijk gemiddelde van gegrond verklaarde bezwaren tegen bestuurlijke boetes wat lager lag dan bij de reperatoire handhaving inzake intrekking van uitkeringen of vergunningen geldt dat in 2014 niet met droge ogen kon worden volgehouden dat bezwaren tegen bestuurlijke boetes nooit werden gehonoreerd. In de tweede plaats gold dat, anders dan Omtzigt insinueerde, niet alle bezwaren van Bulgaren gegrond waren verklaard, noch dat louter bezwaren van Bulgaren gegrond waren verklaard. In feite gold zelfs dat het aantal gegrond verklaarde bezwaren van Bulgaarse bezwarenden een klein deel was van de bezwaren die gegrond werden verklaard. Bovendien valt uiteraard niet in te zien waarom de (etnische) afkomst van de bezwarenden überhaupt relevant zou zijn, anders dan in het kader van een poging om het negatieve sentiment aan te jagen dat de toeslagenfraude vooral een Bulgaarse aangelegenheid was. Omtzigt toonde dus andermaal zijn discriminatoire veren.
Een andere bekende blunder van Omtzigt op het gebied op het gebied van dossierkennis is de MH17-affaire, waarbij hij een Oekraïense ooggetuige opvoerde die vliegtuigen in de lucht zou hebben gezien op het moment dat de MH17 neerstortte. Het uit Rusland afkomstige narratief dat promoot dat een Oekraïense straaljager het vliegtuig had neergeschoten slikte Omtzigt als zoete koek. Al snel bleek echter dat deze ‘getuige’ op het moment dat MH17 neerstortte niet eens in de buurt was geweest en door de Oekraïense overheid werd gezien als een pro-Russische sympathisant. Omtzigt had deze Oekraïner voorafgaand aan de bijeenkomst op de Vrije Universiteit (VU) in 2017 uitgebreid gesproken. Deze hield Omtzigt ten onrechte voor dat hij al was gehoord door het Nederlandse onderzoeksteam – wat Omtzigt kennelijk niet heeft gecontroleerd – terwijl Omtzigt op de bijeenkomst op de VU de indruk wekte dat de man nog niet was gehoord. Voor professor Arno Akkermans, die samen met Omtzigt in het panel zat, was glashelder dat deze getuige elke geloofwaardigheid miste, maar Omtzigt beweerde later dat hem niet duidelijk was of de man in Nederland al was gehoord en dat hij tijdens het voorgesprek niet zou hebben begrepen dat de man zelf geen ooggetuige was.
Dan zijn er twee mogelijkheden. Of Omtzigt liegt, of hij was ernstig onbekwaam doordat hij geen of onvoldoende onderzoek had gedaan naar een en ander en vrolijk – niet voor de eerste keer – desinformatie verspreide. Wij weten eerlijk gezegd niet wat erger is, kwalijk is vooral dat uit geluidsopnames en sms-verkeer bleek dat Omtzigt zelf de verklaring had geschreven die hij deze getuige, via een tolk – liet afleggen. Dat wekt de verdenking dat het allemaal een politieke ‘frame’ was, die ongeacht zijn intenties uiteindelijk desinformatie bleek te zijn.
Anders dan in de nadagen van zijn twee decennia omspannende politieke carrière volgde Omtzigt tot de ‘functie elders’ affaire braaf en slaafs de partijlijn van het CDA. Omtzigt steunde indertijd het kabinetsbesluit om Nederlandse troepen in Irak in te zetten voor de handhaving van de vrede na de Amerikaans-Britse inval in dat land. Ook steunde Omtzigt de pogingen van het CDA om te verhullen dat een negatief ambtelijk advies over die vredesmissie (het ontbrak aan volkenrechtelijk mandaat) was genegeerd.
Omtzigt ging in 2017 ook vrolijk mee in de, onder meer door de (voor haar inzet door het Kremlin gevierde en beloonde) influencer Vanessa Beeley gecreëerde, desinformatie over de oorlogsmisdaden van de Witte Helmen in Syrië. Het Kremlin had er belang bij om deze reddingswerkers, die zich inzetten voor de hulp aan de slachtoffers van hun bondgenoot Assad, zwart te maken. Als Omtzigt zich daadwerkelijk in dossiers zou verdiepen zou hij ernstige vraagtekens hebben gesteld bij de juistheid van de negatieve verhalen over de Witte Helmen. Hoewel het te ver gaat om Omtzigt de schuld te geven van de beslissing om onder meer de steun aan de Witte Helmen in 2019 in te trekken en de oproep van het CDA om diplomatieke banden te herstellen met Assad, geldt dat het eveneens onterecht is om te beweren dat zijn bijdrage aan de desinformatie geen invloed heeft gehad en geldt hoe dan ook dat ook deze blunder gehakt maakt van zijn mythische status van dossiertijger.
Ook in het dossier Demmink, die door ongure complotdenkers volkomen ten onrechte werd beschuldigd van pedofilie, bauwde Omtzigt van 2012 tot 2014 vrolijk op lucht gebaseerde complottheorieën na, want Omtzigt ziet overal doofpotten en zichzelf als grote bevrijder en onderzoeker van ‘onrecht.’ Op 5 maart 2014 schreef Omtzigt op Twitter het bericht dat Opstelten niet neutraal was, omdat hij de kosten betaalde van de rechtszaak die Demmink wegens smaad voerde tegen een AD-journalist. De suggestie werd gewekt dat er sprake zou zijn van een doofpot in de Demmink-zaak. Omtzigt beweerde weliswaar alleen maar vragen te willen stellen, maar dat is de standaardverdediging van complotdenkers die juist door de aard van hun vragen op niets gebaseerde verdenkingen opwerpen en zo schade aanrichten. Beïnvloedbare geesten blijven ook na correctie immers vaak ten onrechte toch denken: “Waar rook is, is vuur”
Voor iemand van wie volgens zijn bewonderaars en politieke commentatoren werd gezegd dat hij inhoudelijk sterk is en oog heeft voor detail, is hij opvallend mild geweest over de ronduit belabberde plannen van kabinet-Schoof, terwijl er ook geen sprake was van een degelijke doorrekening van zijn verkiezingsprogramma door het CPB. Omtzigt is op zijn mildst gezegd ook niet heel specifiek over hoe hij de bestaanszekerheid zou gaan herstellen. Voorts steunde hij het regeerakkoord van kabinet-Schoof vanwege de noodzaak van de strengste migratieregels ooit, terwijl al ruim voor de verkiezingen sprake was van een aanmerkelijke afname van de migratiestroom. Blijkbaar waren de transparantie en het afleggen van verantwoording, waarvoor hij anderen in de laatste, pak hem beet, acht jaren van zijn voordien weinig opzienbarende politieke loopbaan kapittelde, op hemzelf en zijn splinterpartij niet van toepassing. Dat alles levert eerder het beeld op dat Omtzigt zowel politiek als vakinhoudelijk een ondermaatse politicus was. Het is daarom goed dat hij afscheid neemt. Wij zijn er dan ook absoluut niet rouwig om dat hij politiek Den Haag verlaat. Hopelijk is het voorgoed, en gaat hij buiten de politiek aan het werk op een plek waar hij de samenleving geen of veel minder schade kan berokkenen dan hij vanuit Den Haag heeft gedaan.
