Op 26 mei jl. presenteerde Geert Wilders zijn tienpuntenplan met strikte asielmaatregelen in Nieuwspoort. “De handschoenen zijn uit”, verklaarde de eeuwige fractieleider van de Partij voor de Vrijheid. Amper een paar dagen later viel het kabinet, omdat de resterende coalitiepartners niet bereid waren op aandringen van Wilders hun handtekening onder het plan te zetten. Sindsdien zien we de eerste beschietingen in aanloop naar de daadwerkelijke verkiezingscampagne. De PVV zou zijn “tegengewerkt”. Dat zal een van de kernelementen vormen van de PVV-verkiezingscampagne. Daarom zal ik in dit artikel dit frame nauwkeurig ontrafelen, zodat er in een vroeg stadium van de verkiezingscampagne al een pasklaar antwoord is op dit frame.
Om dit frame te ontrafelen, zal ik eerst twee debatdeelnames samenvatten die dat beeld van een tegengewerkte partij het best illustreren. Allereerst zal dat de inbreng van Wilders zijn tijdens het debat over de kabinetsval, waarin vooral het onderwerp asiel en integratie ter sprake komt. Daarnaast bespreek ik de inbreng van Kamerlid Tony van Dijck, die tijdens het debat over de Voorjaarsnota primair de sociaal-economische paradepaardjes van de PVV voor zijn rekening neemt. Beide debatten vormen de retorische pilaren voor de verkiezingscampagne, omdat dit de belangrijkste onderwerpen zijn voor de PVV en voor de (potentiële) achterban van de partij. Na een bondige samenvatting van beide debatdeelnames zal ik de inhoudelijke punten die het ‘tegenwerkingsframe’ onderbouwen, pogen te weerleggen, waarna onvermijdelijke conclusies volgen over de aard van de PVV.
Wilders tijdens debat over kabinetsval
Tijdens het plenaire debat over de kabinetsval kwam Wilders’ zienswijze op de elf maanden kabinet-Schoof en zijn verantwoording voor de val voor het eerst uitgebreid ter sprake. De PVV zou uitermate constructief zijn geweest en heeft ook concessies gedaan. Maar op het punt van asielmigratie en islamisering heeft het kabinet niet voldoende geleverd, want de PVV werd door de rest van de coalitiepartijen gefrustreerd. Wilders noemde daarbij expliciet NSC; deze partij werd gekscherend de ‘Nationale Sabotage Club’ genoemd en zou de PVV voortdurend hebben geobstrueerd.
Voor Wilders was al die tegenwerking niet meer te verteren, zeker omdat de PVV een enorm mandaat had gekregen van ‘de kiezer’ met 2,5 miljoen stemmen en 37 zetels in het parlement om iets te doen aan asielmigratie. Ook voor het anti-islamstandpunt zou Wilders de meerderheid van Nederland achter zich hebben (60%), en voor de afzonderlijke punten uit het tienpuntenplan zouden eveneens ruime meerderheden te vinden zijn. Daarom kon het niet verder: ‘de kiezer’ had recht op een ander kabinet.
Tony van Dijck tijdens debat over de Voorjaarsnota
Tijdens het debat over de Voorjaarsnota benadrukte financieel specialist van de PVV, Tony van Dijck, dat de PVV ongekend heeft gestreden voor ‘Henk en Ingrid’. De partij wist de zogenoemde ‘boodschappenbonus’ en een huurbevriezing binnen te halen.
Daarna kwam een zekere achterdocht bij Van Dijck naar voren: iedereen is tegen de PVV. De PVV-plannen werden bij voorbaat al gefrustreerd. Het verzet van de woningcorporaties vond hij onterecht, want volgens Van Dijck hadden die nog voor jaren kapitaal om werk te maken van de kwantiteit en kwaliteit van de volkshuisvesting. De verantwoordelijke minister, Mona Keijzer, koos niet voor een ministeriële regeling of een AmvB (Algemene Maatregel van Bestuur), maar voor het moeilijkere pad van een wetswijziging, waarmee volgens Van Dijck al duidelijk werd dat Keijzer stil verzet pleegde. Ook de media maakten veel herrie over de huurbevriezing. Van Dijck vond deze ‘tegenkrachten’ vooral opmerkelijk, omdat een aantal jaar geleden er helemaal geen bezwaar leek te zijn tegen een huurbevriezing. Van Dijck werd er moedeloos van: het was “trekken aan een dood paard”, de partij was moegestreden. En als de PVV al een meerderheid had gevonden in de Tweede Kamer, dan zou het alsnog zijn weggestemd door de Eerste Kamer. Om nog niet te spreken van de Raad van State, die telkens hinderlijke adviezen gaf over wetgeving en de PVV-fractie om de oren sloeg met ‘rechtsstatelijkheid’, of die telkens wees op de negatieve uitwerkingen van PVV-voorstellen, zoals eerder al gebeurde bij het plan om het eigen risico te halveren.
Kortom, alle sociaal-economische plannen werden getorpedeerd: de huurbevriezing, de boodschappenbonus en de halvering van het eigen risico. De PVV had maar twee beweegredenen om zitting te nemen in het kabinet: leveren op asiel en de koopkracht van Nederlanders drastisch verbeteren. Maar dat werd volgens Van Dijck telkens tegengewerkt door de anderen. De plannen van de PVV worden namelijk niet op hun merites beoordeeld, maar bij voorbaat neergesabeld omdat ze van de PVV komen. Als de PVV 76 zetels haalt, dan kan de partij wél al die plannen doorvoeren — dat is de belofte van Van Dijck. In de tweets van Wilders wordt dit laatste punt nog wat scherper geformuleerd. Wilders kijkt verlekkerd naar het (onmogelijke) vooruitzicht van 76 zetels in de Kamer, om premier te worden en eindelijk niet meer tegengewerkt te worden door andere partijen in het parlement.
Overkoepelende narratief PVV
Het overkoepelende narratief van beide debatdeelnames is dat de PVV er alles aan heeft gedaan om de PVV-kiezer te bedienen op de belangrijkste onderwerpen (migratie en bestaanszekerheid). Om dat doel te bereiken, heeft de partij zich redelijk opgesteld door concessies te doen en tegelijkertijd hebben ze gestreden als leeuwen om de typische PVV-standpunten te vertalen in besluit- en beleidsvorming. Terwijl de PVV naar eigen zeggen de steun had van de meerderheid van de bevolking voor haar meesterlijke plannen, werd ze door parlementaire en buitenparlementaire actoren tegengewerkt. Niet omdat de plannen slecht zouden zijn, maar omdat er een ongegronde haat jegens de PVV te bespeuren zou zijn.
Als we echter de plannen of voornemens van de PVV op hun merites beoordelen, dan is het gewoonweg broddelwerk. Dat er meerderheden zouden zijn voor de-islamiseringsmaatregelen (ook al zeer onwaarschijnlijk), dat kan allemaal wel, maar Nederland kent godsdienstvrijheid en zodoende mogen moslims vrijelijk hun geloof belijden. Het druist daarnaast het in tegen een fundamenteel principe van de parlementaire democratie: het waarborgen van de rechten van minderheden en deze niet degraderen tot tweederangsburgers omwille van “de volkswil”. Dan is er sprake van een totalitaire democratie — of beter gezegd: de dictatuur van de meerderheid — en dat heeft niets van doen met de parlementaire traditie.
Ook het tienpuntenplan stuit op praktische en rechtsstatelijke principes, zoals “grenzen dicht voor asielzoekers”. Nederland is verdragstechnisch verplicht asielzoekers op te vangen, en het is onuitvoerbaar om asielzoekers tegen te houden bij de Belgisch- of Duits-Nederlandse grens; daar heeft het Rijk de middelen eenvoudigweg niet voor en de negatieve neveneffecten van zulk beleid zullen gigantisch zijn. Denk bijvoorbeeld aan onze doorvoerfunctie binnen de mondiale economie, die daardoor ernstig ondermijnd zal worden. Zo kun je de andere negen plannen op vergelijkbare wijze afgaan: ze overschrijden de rechtsstatelijke grenzen en/of zijn onuitvoerbaar en/of hebben zeer negatieve (onbedoelde) gevolgen die de maatregel disproportioneel maken. En dan heb ik het nog niet gehad over fundamentele morele bezwaren die je zou kunnen bedenken voor ieder individueel punt.
Dan de geweldige sociaal-economische plannen van de PVV om “Henk en Ingrid” te helpen. De huurbevriezing is kortweg een gedrocht. Van Dijck beweert dat de huurbevriezing er niet voor zal zorgen dat woningbouwcorporaties hun bouwplannen moeten staken vanwege een gebrek aan financiële middelen. Dat klopt gewoonweg niet: woningbouwcorporaties zullen 35 tot 50 miljard euro minder hebben om te investeren in de kwantiteit en kwaliteit van de volkshuisvesting, op een totaal van 110 miljard euro. Daarnaast zal een aanzienlijk deel van de corporaties niet meer financieel gezond zijn. De beloofde 1 miljard euro — waar Van Dijck in het Voorjaarsnota-debat mee liep te pronken — staat zodoende in schril contrast met het verloren investeringskapitaal door deze maatregel.
Van Dijck wees er verder op dat er voorgaande jaren wel een huurbevriezing werd doorgevoerd en dat er toen nauwelijks verzet was. Maar nu het voorstel uit de koker van de PVV komt, zijn de media, het maatschappelijke middenveld en de Raad van State zeer fel gekant tegen dit plan. Dat is voor Van Dijck de hoofdreden om aan te nemen dat men niet tegen de maatregel, maar tegen de PVV als zodanig is. Er zijn daarentegen een aantal fundamentele verschillen met de vorige huurbevriezing. Allereerst was er toen een substantiële compensatie voor de woningbouwcorporaties doordat de verhuurderheffing werd afgeschaft. Daarnaast ging het niet om een generieke huurbevriezing, maar om een inkomensafhankelijke, die daardoor minder ingrijpend was.
De samenzweringstheorie van Van Dijck dat woonminister Keijzer stil verzet pleegde door een wetsontwerp te verkiezen boven een AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) klopt evenmin. In 2023 werd, zoals reeds gemeld, een gerichte doelgroep geholpen — iets dat paste binnen de bestaande wettelijke kaders. Een generieke huurbevriezing van twee jaar valt daar echter buiten en daarom moest Keijzer overgaan tot een wetsontwerp.
Als je het advies van de Raad van State erop naslaat over de halvering van het eigen risico, dan kom je ook al snel tot de conclusie dat deze maatregel ondoelmatig is en tevens een verkwisting van financiële middelen. Voor maar liefst 4 miljard euro wordt immers een aantal subgroepen binnen de kwetsbare onderlaag niet eens geholpen of gaan er zelfs op achteruit, zoals gezonde mensen met een laag inkomen en arbeidsongeschikten. Tegelijkertijd zijn er groepen met een relatief hoog inkomen die er juist wel van profiteren.
De vlag uit: de PVV werd tegengewerkt
Als de PVV-plannen, of beter gezegd: de kroonjuwelen van de PVV, op hun merites worden beoordeeld, dan zijn ze kortweg onuitvoerbaar, pure geldverspilling en onverstandig. Dat actoren binnen het politieke en bestuurlijke speelveld daar kritisch op zijn, valt dan ook te verwachten. Dit brengt mij bij het frame van de PVV dat zij zou worden “tegengewerkt”. Dat kun je op twee manieren bestrijden. Allereerst kun je het frame omarmen: godzijdank wordt de PVV op sommige terreinen tegengewerkt! Die typische PVV-plannen zijn gewoonweg slecht en ondoordacht; des te minder de PVV macht kan uitoefenen, des te groter de kans dat ons land goed bestuurd wordt en de democratie behouden blijft.
Ik zou er zelfs een schepje bovenop willen doen: werd de PVV maar veel vaker en harder tegengewerkt. VVD en NSC maakten het mogelijk dat de PVV regeringsverantwoordelijkheid kreeg, en dat heeft geleid tot twee jaar bestuurlijke stilstand en een verdere afkalving van de bestuurscultuur. Was de PVV op dat cruciale moment maar uitgesloten (lees: tegengewerkt) door NSC en VVD, dan was deze kostbare tijd zinvoller gebruikt.
En in de laatste week voordat de Kamer met reces ging, kreeg de PVV het voor elkaar om een Kamermeerderheid te vinden voor hun amendementen op de Noodmaatregelenwet en de Wet versterking regie op volkshuisvesting. Daarmee ligt er nu wetgeving bij de Eerste Kamer waardoor vrijwilligers kunnen worden gecriminaliseerd als zij hulp bieden aan ongedocumenteerden. Het behoeft eigenlijk geen nadere uitleg dat dit een morele ondergrens overschrijdt: het helpen van mensen wordt strafbaar omdat ze toevallig geen verblijfspapieren hebben. Daarmee wordt de intrinsieke waarde van een mens en diens recht op basale hulp verworpen — een ‘illegaal persoon’ wordt niet langer als volwaardig mens beschouwd.
Het PVV-amendement op de Wet versterking regie op volkshuisvesting houdt in dat statushouders onder geen beding voorrang mogen krijgen op de sociale huurwoningmarkt. Dit heeft tot gevolg dat vluchtelingen jarenlang in peperdure noodopvang moeten verblijven. Daarnaast is er sprake van een tegenstrijdigheid: gemeenten moeten statushouders huisvesting aanbieden, maar dat mogen dus geen sociale huurwoningen meer zijn. Gemeenten moeten dus óf een aparte categorie woningen gaan bouwen, óf de statushouders zullen dakloos worden. Wat hieruit blijkt, is dat alles wat de PVV aanraakt in peperdure, onuitvoerbare puinzooi verandert — allemaal gemotiveerd door xenofobe haat. Was de PVV dus maar wat vaker en harder tegengewerkt, dan had een hoop bestuurlijke en politieke catastrofes voorkomen kunnen worden. Ik spreek in ieder geval de hoop uit dat de PVV- jawel- in de senaat wordt ‘tegengewerkt’ en dat deze wetten ,met de huidige verspijkeringen door de PVV, resoluut worden weggestemd.
Het omarmen van het tegenwerkingsframe kan ook principiëler benaderd worden. De essentie van een parlementaire democratie is dat er sprake is van macht én tegenmacht, van checks and balances. Geen enkele actor mag te machtig worden — dat is de onderliggende gedachte van de trias politica. Ook het Nederlandse poldermodel, de ambtenarij, het maatschappelijke middenveld, en betrokken of georganiseerde burgers zorgen ervoor dat de wetgevende en uitvoerende macht beteugeld blijven. Het parlementaire proces en het poldermodel waarborgen zo dat zoveel mogelijk signalen worden opgepikt en dat (kwetsbare) minderheden niet vertrapt worden door een onaantastbare Staat. Wat de PVV dus met andere woorden zegt, is dat zij tegenkrachten hekelt, om dit in het vervolg te voorkomen moet de democratie (gedeeltelijk) worden afgeschaft. PVV-regeringsleden dienen in de naaste toekomst ongestoord hun gang te kunnen gaan, zonder tussenkomst van hinderlijke adviesorganen, politieke opponenten of het maatschappelijke middenveld. Net zoals dat gebeurt in Noord-Korea, Iran, Rusland, China — en in mindere mate in Hongarije. Daarom dagdroomt Wilders ook van 76 zetels in het parlement: een eenpartijstelsel dat is wat Nederland volgens hem nodig heeft. De term ‘tegenwerking’ , maskeert dus vooral de aversie van de PVV tegen de democratie en de bijbehorende diffuse machtsverdeling in zo’n bestuursvorm.
De PVV werkt vooral haarzelf tegen
Een ander perspectief om het tegenwerkingsframe te benaderen, is door het te ontkrachten. Er klinkt bij de PVV een zeker slachtofferschap in door: iedereen is tegen de PVV. De PVV heeft echter als politieke partij ook een eigen verantwoordelijkheid, zeker als grootste partij. Minister Faber (PVV) zal te boek komen te staan als de slechtste minister uit de parlementaire geschiedenis. Faber hield vast aan een solistische koers: er was nauwelijks en slecht contact met decentrale overheden, de partners in de asielketen en parlementaire fracties. Wie als minister iets wil bereiken, moet meedoen aan het parlementaire spel en een goede verstandhouding opbouwen met alle relevante actoren binnen het beleidsveld, maar Faber had daar geen boodschap aan. Het moest op haar manier — zo bleek ook na advies van de Raad van State: ze zou hooguit ‘een punt en een komma’ veranderen. De partijen die ze bovendien nodig had om een meerderheid in de senaat te krijgen, werden zo nu en dan op een schofterige wijze bejegend. Op geen enkel moment deed Faber dus een poging om tot overeenstemming te komen en de Kamer te bewegen de PVV te volgen.
Omdat Faber het bestuurlijke handwerk niet onder de knie had, verlaagde ze zich tot kleinzielige symboolpolitiek, zoals het voorstel om terugkeerborden te plaatsen en de weigering van lintjes voor vrijwilligers. Deze symboolpolitiek schaadde uiteindelijk haar (toch al geringe) effectiviteit als bestuurder: zo stond haar voorstel tot intrekking van de Spreidingswet een keer niet op de agenda van de ministerraad, omdat de raad zich moest buigen over de lintjesaffaire. De symboolpolitiek nam dus kostbare tijd in beslag die eigenlijk bestemd was voor haar wetgevende verplichtingen. Zo belandde minister Faber in een vicieuze cirkel: de symboolpolitiek zorgde er ook voor dat de constructieve oppositie nog minder geneigd was tot samenwerking (zie de ingediende motie van wantrouwen) — terwijl er toch al nauwelijks contact was met de minister. De voorstelling van Wilders dat de PVV zich ‘redelijk’ heeft opgesteld, is dus op zijn zachtst gezegd bezijden de waarheid. En dan zijn nog niet eens de opmerkelijke aanvallen genoemd van Wilders op zijn eigen coalitiegenoten, vaak uitgevoerd op zijn geliefde medium X. Ook die acties kun je met geen mogelijkheid betitelen als een redelijke, constructieve houding, gewillig om iets voor elkaar te krijgen.
De gehele PVV-regering was überhaupt weinig productief. Er werden historisch weinig wetten vervaardigd; de regering leek haar wetgevende taak te verwaarlozen. De Eerste Kamer had in de elf maanden van kabinet-Schoof bijzonder weinig te doen. De PVV heeft in de regering dus ook weinig momenten aangegrepen om ‘Henk en Ingrid’ te bedienen. Kamervoorzitter Bosma (notabene van de PVV) beaamde dit tijdens een debat over de bedrijfsvoering van de Kamer: “Het kabinet produceert niet zo heel veel, dat heb ik ook gezegd in een gesprek met Schoof. Dat was toen het kabinet zo’n beetje een jaar zat; traditioneel is dat het moment dat de sluizen van de wetgevingsfabrieken opengaan.”
In de Kamer was de PVV-fractie evenmin een behulpzame factor om de effectuering van PVV-plannen te bevorderen. De PVV-fractie was veelal afwezig gedurende gewichtige debatten en als er wel een Kamerlid aanwezig was, speelde die een marginale rol. Het modale PVV-Kamerlid leest zijn inbreng af van het papiertje en is vervolgens nauwelijks actief tijdens het debat: vrijwel geen interrupties of Kamervragen aan de betreffende bewindspersoon. Ook als er ingezoomd wordt op de inbreng van een gemiddeld PVV-Kamerlid, wordt veel aandacht gevestigd op ondergeschikte thema’s. Zo worden regelmatig onderwerpen aangesneden die een nihil aandeel vormen van de departementale begroting en hoofdzakelijk onder de aandacht worden gebracht om weer eens fijn een cultuuroorlog te voeren (bestrijding van het woke-spook). Dus het hele idee dat de PVV ‘gestreden’ zou hebben voor ‘Henk en Ingrid’ werkt op mijn lachspieren, die ‘strijd’ speelde zich dan in ieder geval niet af in de Kamer.
Het komt ook vaak voor dat PVV-Kamerleden over onvoldoende kennis en kunde beschikken over het onderwerp. Het beste voorbeeld is PVV-Kamerlid Rachel van Meetelen tijdens het plenaire debat over het Draghi-rapport. De aanbevelingen van Draghi werden allemaal zo doorverwezen naar de prullenmand, want het zou soevereiniteitsoverdracht aan Brussel betekenen: “Hier houden we de hand erop, daar gaat het om en daar wil ik het bij houden”, aldus van Meetelen.Verder had Van Meetelen geen alternatieve ideeën over hoe Nederland zijn innovatiekracht dan wel zou moeten verbeteren, waardoor haar inbreng slechts beperkt bleef tot gescheld op de EU zonder dat het gevolgen had.
Als de PVV dientengevolge effectiever politiek wil bedrijven, dient het in eerste instantie naar haarzelf te kijken: de partijorganisatie is uitermate disfunctioneel. Dat heeft vooral te maken met de directieve, verticale partijstructuur van de PVV, die al ettelijke malen op dit opiniërende platform besproken is. De partij wordt sinds jaar en dag geleid door een autoritaire man (Geert Wilder) zonder inspraak van andere PVV’ers. Deze selectie van het personeel is daarom gebaseerd op loyaliteit aan Wilders en niet op kwaliteit, met als doel de machtspositie van de fractievoorzitter te behouden. Als de PVV niet meer door haarzelf wenst te worden tegengewerkt, dan moeten dit soort praktijken flink op de schop, zodat de partij kan uitgroeien tot een professionele ledenpartij. Maar het gaat bij dhr. Wilders niet om de kwaliteit van het landsbestuur, maar om zijn eigen persoonlijke macht en roem. Er zal dus niks veranderen.
Conclusie
Kortom, het frame dat de PVV tegengewerkt zou worden, is op twee manieren te bestrijden. Allereerst kun je het frame omarmen. Macht en tegenmacht horen bij een vitale democratie; ook de PVV ontkomt niet aan een zekere mate van tegenwind. Die tegenwind is wellicht wat groter omdat de PVV zeer slechte plannen heeft. Dat betekent ook dat onze democratie nog enigszins functioneert: als machtige actoren slechte plannen presenteren, ontstaat er een politiek-maatschappelijke tegenreactie. Dat de PVV slechte wetsvoorstellen produceert, raakt aan het tweede perspectief omtrent het tegenwerkingsframe: de PVV heeft ook een eigen verantwoordelijkheid — zeker als grootste fractie — maar door evident amateurisme heeft zij helemaal niets voor elkaar gekregen. De PVV is kortom niet tegengewerkt ondanks een groot mandaat van het electoraat, maar heeft juist niets klaargespeeld ondanks dat mandaat. De PVV is dus vooral door haarzelf tegengewerkt
Steun het anti-populistische geluid!
Wil je dit opiniërende platform maandelijks steunen met een bescheiden financiële bijdrage? Dat kan via deze link: Columns (stripe.com)
Of steun het platform eenmalig met een bedrag naar keuze invullen: https://buy.stripe.com/00g176ce24rc3Cg3cc

Top analyse, Bram. Petje af!
LikeLike