Coalitie- en fractiedwang
Artikel 67 lid 3 Grondwet bepaalt dat Kamerleden stemmen ‘zonder last’. Het tweede bestanddeel, ‘en zonder ruggenspraak’, dat vanaf 1805 in de Grondwet stond, is in 1983 ten onrechte verwijderd ten faveure van de mogelijkheid c.q. noodzaak voor Kamerleden om overleg te hebben met kiezers en hun partij. Die verwijdering was onterecht, omdat de gedachte dat volksvertegenwoordigers besluiten nemen uit hoofde van een door de kiezers verleend mandaat en daarom met hun partij of achterban moeten kunnen overleggen, berust op een even ernstige als hardnekkige misvatting, want – hoewel populistische politici graag anders doen voorkomen, bestaat er geen mandaat van de kiezers. De term mandaat impliceert immers dat er sprake is van een entiteit met een eigen, kenbare, los van de volksvertegenwoordigers staande bevoegdheid die slechts in opdracht, onder instructie verantwoordelijkheid van de mandaatgever (in die gedachte dan het electoraat) in diens naam hoeft te worden uitgevoerd door deze volksvertegenwoordigers.
De onzin van het ‘mandaat van de kiezer’
Er kleven drie fundamentele bezwaren aan die gedachte. Om te beginnen kent Nederland geen volkssoevereiniteit. De – overigens pas in 1798 ingevoerde – volkssoevereiniteit is na de val van de Bataafse Republiek in 1806 expliciet afgeschaft door Napoleon, terwijl de Nederlandse regering er na de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden doelbewust voor koos om die niet opnieuw in te voeren. Onder meer Thorbecke was allesbehalve een voorstander van volkssoevereiniteit. Aangezien, om te kunnen spreken van een mandaat, de mandaatverlener tenminste zelf moet beschikken over de bevoegdheid die hij mandateert aan een ander, kán er dus geen sprake zijn van een mandaat van ‘het volk’ c.q. de kiezers. Nederland is dan ook al meer dan tweehonderd jaar een representatieve, indirecte democratie waarbij de soevereiniteit direct berust bij de gekozen volksvertegenwoordigers en niet middels mandaat.
Ten tweede geldt dat een mandaat een feitelijke gezagsverhouding vereist tussen de mandaatverlener en de gemandateerde, die doelbewust ontbreekt bij de volksvertegenwoordiger vanaf in ieder geval de 19e eeuw. Juist de term ruggenspraak en de gedachte van noodzakelijk overleg met kiezers refereert aan de hiërarchische verhouding van het in opdracht handelen van derden en is gebaseerd op de staatkundige verhoudingen zoals die lagen in de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, waarin volksvertegenwoordigers afgevaardigden waren van zelfstandige, gewestelijke besturen (evenmin ‘het volk’) met een specifieke opdracht om in het belang van die gewesten te handelen en waarbij de afgezanten bij stemming daarover, in geval van afwijking daarvan, eerst moesten overleggen met deze gewesten. Kamerleden daarentegen hebben niet tot taak om slechts de belangen van hun gewest of een bepaalde groep kiezers te behartigen, maar die van het gehele land en het algemene belang van alle burgers, ook van hen die niet op hen hebben gestemd. Anders dan het mogelijk verlies van de stem van bepaalde kiezers kan een volksvertegenwoordiger dan ook niet ter verantwoording worden geroepen voor zijn of haar stemgedrag of handelen door hen die op hem of haar hebben gestemd. Evenmin kunnen kiezers tussentijds hun stem op een Kamerlid intrekken en deze daardoor onbevoegd maken om besluiten te nemen. Voorts sluit de Grondwet zoals gezegd uitdrukkelijk de mogelijkheid voor kiezers uit om een Kamerlid op te dragen om bepaalde besluiten wel of niet te nemen, in te trekken terwijl zij zelf een ‘onbevoegd’ genomen besluit (dat bij Kamerleden dus niet bestaat) uiteraard niet ongedaan kunnen maken. Een kiezer mag stemmen en daarmee eindigt zijn invloed. De invoering van het burgerinitiatief om burgers meer bij het landsbestuur te betrekken, maakt dat feitelijk niet anders. Temeer omdat er geen verplichting bestaat om, zelfs als een burgerinitiatief alle procedurele hindernissen weet te overkomen, voor de inwerkingtreding daarvan te stemmen.
Tot slot bestaat er – anders dan demagogische populisten graag willen doen geloven – überhaupt niet zoiets als ‘de wil van het volk’, net zomin als ‘het volk’ zelf bestaat als uniforme, homogene entiteit. De Nederlandse bevolking bestaat al meer dan tenminste duizend jaar uit een samenraapsel van grotere en kleinere minderheden en culturen waarbinnen door de eeuwen heen een stelsel van in grote lijnen gedeelde cultuur, normen, waarden en ideeën is ontstaan. Tot op de dag van vandaag is de interpretatie van die normen, waarden en ideeën echter een kwestie van uiteenlopende verschillen van inzicht, ingegeven door onder meer elkaar al dan niet overlappende religieuze dogma’s, ideologisch-filosofische maatschappijvisies en politieke stromingen, om nog te zwijgen over het niet onbelangrijke fenomeen van eigenbelang waarbij binnen de verschillende groepen weer subgroepen bestaan. In beginsel kan men stellen dat hoe groter de groep is, hoe meer verschillende meningen er zijn. Als eigenschap van ‘lappendeken Nederland’ geldt dat kiezers die op een bepaald kandidaat-Kamerlid stemmen, het geregeld net zo min eens zijn met elkaar als met hun ‘tegenstanders’, zodat ook niet valt aan te geven om wiens mandaat het zou gaan. En mandaat vereist een heldere en vooral eenduidige opdracht, terwijl de doelen van Kamerleden vaak verschillend en geregeld regelrecht tegenstrijdig zijn.
Maar wellicht belangrijker is dat volksvertegenwoordigers niet zo zeer de visie vertegenwoordigen en uitdragen van bepaalde kiezers, als dat bepaalde kiezers de door de door hen gekozen volksvertegenwoordigers uitgedragen visie steunen. In dat opzicht zijn kiezers niet zozeer de verleners van een mandaat áán, maar juist volgers en aanhangers ván de volksvertegenwoordiger. Daarbinnen past noch de figuur van enige last van de door de kiezer gemandateerde volksvertegenwoordiger noch een noodzaak voor ruggenspraak. De volksvertegenwoordiger is immers zelf tot zijn of haar overtuigingen gekomen en hoeft slechts anderen daarvan te overtuigen. Het is in ieder geval vanaf 1806 niet de bedoeling geweest om volksvertegenwoordigers in opdracht van of in overleg met de kiezers te laten doen wat die laatste willen. Sterker nog, juist de sinds 1798 al gebezigde frase ‘zonder last of ruggenspraak’ duidde op het feit dat Kamerleden er zonder binding of verantwoording aan wie dan ook waren voor het gehele Nederlandse volk. Zonder last en ruggenspraak betekent immers zónder mandaat of nadere opdracht. Met de opkomst van de parlementaire democratie in het begin van de 19e eeuw is de aard van de rol en taak van de volksvertegenwoordiger veranderd. Daarbij verviel de rol van afgevaardigde van een regio en werd deze een behartiger van het algemeen belang. Partijpolitiek heeft dat vooral tijdens de verzuiling (ten dele) weer ongedaan gemaakt, door het politieke proces weer op te delen in behartiging van deelbelangen – zij het ditmaal niet zo zeer regionaal als wel ideologisch en socio-economisch bepaald. Dit heeft de politieke besluitvorming en de positie van Kamerleden meer kwaad dan goed gedaan, waarbij vooral het onlosmakelijk met de politieke partij verbonden fenomeen van fractiedwang verantwoordelijk is voor een groot deel van de malaise waarin de moderne Nederlandse parlementaire democratie verkeert. Veel meer dan de verschillende politieke ideologische stromingen dat deden in het verleden, heeft partijpolitiek geleid tot opsplitsing en groepsdenken. Om te begrijpen waar het gevaar ligt van fractiedwang en partijpolitiek en de mogelijkheden te bezien van bestrijding van een en ander, is het van belang om kort in te gaan op de figuur en positie van de politieke partij.
Wat is een politieke partij nu precies?
Hoewel politieke partijen formeel geen deel uitmaken van het Nederlandse staatsrechtelijke bestel en deze eigenlijk geen aparte juridische status hebben, geldt dat zij sinds hun ontstaan in de laat 19e eeuw een onmiskenbare rol vervullen in het landsbestuur. Juridisch gezien is een politieke partij echter niet meer of minder dan een vereniging van min of meer gelijkgestemden die zich onder de gemeenschappelijke noemer van die partij verkiesbaar stellen. Hoewel kiezers vaak jarenlang trouw stemmen op ‘hun’ partij, biedt de Kieswet nog altijd uitsluitend de mogelijkheid om te stemmen op kandidaat-Kamerleden in persoon. Een kardinaal verschil is echter dat waar kandidaat-Kamerleden in het verleden werden verkozen op grond van hun persoonlijke merites en door hen uiteengezette visie, als gevolg van het ‘doorschuiven’ van uitgebrachte stemmen op kandidaten op dezelfde kieslijst de persoonlijke kwaliteiten en geschiktheid van Kamerleden ondergeschikt zijn geworden aan de mate van hun onderdanigheid jegens en populariteit bij het fractiebestuur. Dat heeft als eerste geleid tot een verandering in de invulling van het Kamerlidmaatschap. Waar een kandidaat eerst voldoende kiezers moest overtuigen van diens persoonlijke kwaliteiten, volstaat vanaf het moment van het ontstaan van de politieke partijen het om zich in de gunst van het partijbestuur werken om een Kamerzetel te bemachtigen. Natuurlijk moet men moet waken voor romantisering van een situatie die nooit heeft bestaan en eerlijkheid gebiedt dat het politieke spel (uiteraard) nooit helemaal verschoond is geweest van het handelen vanuit behartiging van regionale belangen en bepaalde groeperingen, al dan niet ten nadele van anderen.
Ook vóór de oprichting van politieke partijen was er uiteraard wel sprake van vorming van tijdelijke quid pro quo stemcoalities – zoals bijvoorbeeld bij de verlening van steun door de conservatieve confessionelen aan het door de progressieve liberalen gewenste algemeen kiesrecht, in ruil voor bescherming van het bijzonder onderwijs – geldt toch dat partijpolitiek en vooral fractiedwang van negatieve invloed zijn geweest op het politieke metier. Met name dat laatste fenomeen veranderde al snel het politieke proces, want daar waar in de 19e en vroeg 20e eeuw tot de Tweede Kamer verkozen volksvertegenwoordigers nog (primair) moesten vertrouwen op hun persoonlijke overredingskracht en de merites van een door hen ingediend voorstel om anderen te overtuigen om hen te steunen, bestond er geen mogelijkheid om hen daartoe te dwingen. Daarin kwam gaandeweg een verandering met het ontstaan van politieke partijen, waarbij al snel het daarbinnen benoemde fractiebestuur (primair) de politieke koers bepaalde. Dat werd versterkt door het sluiten van coalitieakkoorden tussen partijen, waardoor het voor een Kamerlid dat Kamerlid wilde blijven steeds lastiger werd om ‘zonder last en ruggenspraak’ naar eer en geweten te stemmen over politieke vraagstukken en beleid. Het is immers het fractiebestuur dat Kamerleden op een verkiesbare plek op de kieslijst plaatst. Daarbij komt dat de meeste kiezers stemmen op een lijsttrekker/fractieleider, waarna het overschot van de stemmen boven diens kiesdrempel wordt gebruikt om andere zetels toe te kennen ‘aan de partij’, zodat de meeste Kamerleden hun zetel (primair) te danken hebben aan hun partijbestuur en in mindere mate aan de kiezer, terwijl dwarsliggers normaliter bij de volgende verkiezingen op een niet-verkiesbare plaats worden gezet of helemaal worden verwijderd van de kandidatenlijst. Als gevolg van het gebruik om meer te stemmen op een lijstrekker of een zuiver willekeurige kandidaat van een bepaalde partij, is zowel bij kiezers als bij politici ook het – overigens onterechte – idee ontstaan dat Kamerzetels toebehoren aan de partij en niet aan het Kamerlid dat de zetel bezet. Hierdoor zijn Kamerleden steeds strakker onder gezag van de partij komen te staan, is het voeren van een individuele koers nagenoeg onmogelijk geworden en is de partijpolitiek ernstig ontspoord. Het (voorlopige) sluitstuk van de fractiedwang kwam tot stand in de 21e eeuw door, in navolging van de werkgroep Fractievorming, ‘zetelroof’ – iets dat constitutioneel en staatsrechtelijk simpelweg niet bestaat omdat de zetel van het Kamerlid is die deze bezet en niet van de politieke partij waartoe hij of zij behoort – onwenselijk te verklaren en middels via het Reglement van Orde en de ‘Regeling financiële ondersteuning fracties Tweede Kamer’ ‘zetelrovende’ Kamerleden te sanctioneren in de vorm van beperking van spreektijd en ontzegging van fractiebudget, daarbij krampachtig vermijdend dat een sanctie te noemen.
Natuurlijk is het probleem van fractiedwang op zichzelf niet te wijten aan de Partij voor de Vrijheid of in feite één enkele andere partij. Sterker nog, er was maar één politieke partij in Nederland waarbinnen dat expliciet was verboden, te weten de Bond van Vrije Liberalen, maar die bestaat helaas allang niet meer. Hoewel de populistische partijen de figuur van fractiedwang niet hebben bedacht, staat echter wel buiten kijf dat die daar meer profijt uit halen dan reguliere partijen – die het toch meer moeten hebben van een gedegen ideologische inhoud – en voor geen partij geldt dat méér dan voor de Partij voor de Vrijheid (PVV). Het gevaar voor de democratische rechtsstaat van coalitie- en fractiedwang is dan ook nooit duidelijker dan onder het huidige kabinet Schoof. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2023 behaalde de PVV 37 zetels, waardoor Nederland voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog wordt geconfronteerd met een regering die, als gevolg van fractie- en coalitiedwang, onder de merkbare regie verkeert van een politieke partij die keer op keer heeft bewezen niet te beschikken over ook maar de minste mate van staatsrechtelijk of rechtsstatelijk besef of interesse in bescherming van grondrechten. De PVV voert immers een politieke agenda die op vrijwel alle fronten strijdig is met de fundamentele grond- en verdragsrechten van de democratische rechtsstaat en een samenleving nastreeft waarbinnen de aanzet tot racisme en discriminatie is gedecriminaliseerd en louter, althans primair, iemands etnische afkomst en geloofsovertuiging bepalend zijn voor behoud of juist verlies van die fundamentele rechten. Voorts staat de PVV net als het Forum voor Democratie voor een absoluut politiek primaat zonder de uit de machtenscheiding van de Trias Politica voortvloeiende tempering van rechterlijke interpretatie en toetsing van wet- en regelgeving aan de Grondwet of internationale verdragen. Daardoor zou de rechtsbescherming van burgers weinig meer worden dan een papieren tijger en de politiek geen strobreed in de weg kunnen worden gelegd bij uitvoering van haar bewind. Meer dan enige andere partij in de Nederlandse geschiedenis legt de PVV dan ook de zwaktes van het Nederlandse democratisch rechtsstatelijke bestel bloot door daarvan openlijk misbruik te maken en decennia- en zelfs eeuwenoude gebruiken en beginselen aan de laars te lappen.
Het systeem van fractiedwang
Hoe werkt fractiedwang eigenlijk? Reeds bij de selectie van kandidaat-Kamerleden selecteert het fractiebestuur die kandidaten die zich naar verwachting het minst waarschijnlijk zullen verzetten tegen de door het bestuur uitgezette koers. De grondslag voor de fractiedwang is gelegen in het bij vrijwel alle partijen bestaande fractiereglement, dat Kamerleden moeten verklaren na te zullen leven en dat de noodzaak voor een zo groot mogelijke mate van eensgezindheid benadrukt. Daarbij bestaat er al gelang de mate van ‘fractiediscipline’ een meer of minder beperkte vrijheid om onder bepaalde voorwaarden in een beperkt aantal gevallen gelegitimeerd af te mogen wijken van een fractiestandpunt. Die beperking wordt vervolgens kracht bijgezet door de zogenaamde ‘fractietucht’ in praktische zin, onder regie van de fractieleider, die onder meer bepaalt of en welke Kamerleden een bepaalde portefeuille krijgen of verliezen, wie van hen namens de fractie mag spreken of vragen stellen in de Kamer en wie van hen naar buiten mag treden naar de pers zodat dissidenten of dwarsliggers kunnen worden ‘kaltgestellt’. Dit geldt in het bijzonder binnen de PVV waar de macht van het fractiebestuur en fractieleider berusten bij één en dezelfde persoon, zodat van interne controle op of bijstelling van het gezag en gedrag van de fractieleider geen sprake is, temeer daar er geen andere leden zijn die het bestuur naar huis kunnen sturen. Hierdoor geniet Geert Wilders een macht waar menig despoot slechts van kan dromen. En via de coalitieafspraken strekt die macht zich verder uit dan de Staten-Generaal, want ook de tot de PVV behorende leden van het kabinet hebben evident moeite om zich te ontworstelen aan de druk van Wilders, die diverse tot zijn partij behorende bewindslieden al een stevige schrobbering heeft gegeven omdat zij het waagden af te wijken van zijn lijn. Ironisch genoeg is de PVV overigens opgericht omdat Wilders beweerde slachtoffer te zijn van de fractiedwang binnen de VVD van Hans Dijkstal, die hem niet toestond om zijn extremistische opvattingen over de islam en moslims onder de noemer van de VVD in en buiten de Kamer naar buiten te brengen. Zelfs Dijkstal die, toegegeven, in aanmerkelijk mindere mate dan Bolkestein en zelfs Wiegel voorstander was van het (interne) open debat, heeft echter nooit de repressie uitgeoefend op Wilders die Wilders uitoefent op anderen.
Voor- en nadelen van fractie- en coalitiedwang
Voorstanders van fractiedwang hebben wel betoogd dat fractiedwang niet zo’n probleem is en vanuit pragmatisch en strategisch opzicht voordelen zou hebben. Het is echter zeer de vraag of dat het geval is, temeer daar de voordelen niet zo zeer rechtstatelijk van aard zijn, maar eerder exponenten zijn van het New Public Management denken. Binnen dat neoliberale gedachtegoed, wordt het land niet zozeer geregeerd, maar gemanaged om zaken zo simpel en goedkoop mogelijk te houden, en geldt dat efficiëntie en kostenbesparing prevaleren boven noodzakelijke waarborging en bescherming van de fundamentele beginselen van de democratische rechtstaat. Zo wordt wel gesteld dat fractiedwang het besluitvormingsproces ‘hanteerbaar(der)’ maakt, doordat fractieleden wordt opgedragen om simpelweg het advies van de portefeuillehouder te volgen. Het probleem daarbij is echter dat door het fractiebestuur aangewezen portefeuillehouders zelden (voldoende) deskundig zijn en/of de vrijheid krijgen van het fractiebestuur om een volledig en gedegen advies uit te brengen. Men denke aan de Toeslagenaffaire waarbij de regering, daarin gesteund door hun fracties in het parlement, het wel ‘gemakkelijk’ vond om via algoritmes de frequentie en intensiteit van handhaving te baseren op louter de etniciteit van bepaalde groepen burgers, omdat dat de noodzaak van deugdelijke controle wegnam en daardoor veel moeite en geld scheelde. Dat dit uitermate discriminatoir was, nam men, ingegeven door coalitie- en fractiedwang, op grond van de door fractiebesturen door de portefeuillehouders voorgedragen lijn voor lief.
Door dat braaf slechts wordt geluisterd naar de ‘deskundige’ portefeuillehouders weten de meeste Kamerleden vaak niet van de hoed en de rand, terwijl het selectieproces van de meest apathische Kamerleden door het fractiebestuur ertoe leidt dat velen van hen het ook niet kan schelen. Het werken met opdrachten van portefeuillehouders kan dus wel praktisch zijn, maar gaat ten koste van deugdelijke reflectie en het noodzakelijk kritische toetsing. Ook wordt wel opgeworpen dat een fractie eenheid moet uitstralen ter bevordering van helderheid en voorkoming van verwarring in de buitenwereld. Dat getuigt echter in de eerste plaats van een minachting voor kiezers, alsof die niet bestand zouden zijn tegen een genuanceerd standpunt of het gegeven dat mogelijk niet alle Kamerleden van een partij het volledig met het door die partij voorgestane standpunt eens zijn. Belangrijk is dat het ook impliceert dat volgens partijbesturen het politiekmaatschappelijke debat, dat cruciaal is voor de totstandkoming van de kwaliteit van wet- en regelgeving, minder belangrijk zou zijn dan het beeld dat men schetst naar buiten. Een voorbeeld daarvan is het negeren door regeringsfracties van de duidelijke adviezen vanuit het Ministerie van Veiligheid en Justitie, inzake de in juridisch opzicht volstrekte onverdedigbaarheid van de invoering van noodwetgeving op het gebied van migratie door de coalitie. Juist wanneer de gelederen naar de buitenwereld worden gesloten, ontstaat al te gemakkelijk een oogkleppencultuur of tunnelvisie die juist funest is voor kwalitatief hoogwaardig beleid.
Volgens voorstanders kent (vooral de combinatie van) coalitie- en fractiedwang het belangrijke voordeel van bevordering van meerderheidsvorming. Daarbij miskent men echter dat het een ernstige misvatting is dat het antwoord op de vraag of een voorstel rechtmatig of wenselijk of überhaupt verstandig c.q. zinvol is, wordt bepaald door het aantal aanhangers van dat voorstel op zichzelf. Men denke aan het glasheldere advies van de Raad van State dat, zoals ook andere deskundigen al aanvoerden, de door fractieleider Wilders binnen de coalitie koste wat het kost afgedwongen strengste migratieregels uitsluitend contraproductief zullen uitpakken, vooral in combinatie met de tegelijkertijd gigantische bezuiniging op het ambtenarenapparaat binnen asiel en migratie. Hoewel voor iedereen duidelijk is dat een en ander gedoemd is om te mislukken, haalt niemand binnen de coalitie, laat staan binnen de PVV-fractie, het zich in het hoofd om (al te hard) tegen de door Wilders voorgestane lijn te protesteren omdat men de afspraak nu eenmaal heeft gemaakt, een eenheid wil uitstralen en de ‘absolute meerderheid’ voor is. Overigens geldt uiteraard dat wanneer er sprake is van een sanctionering van tegenspraak, niet kan worden gesproken van een daadwerkelijke absolute meerderheid, laat staan een die het per definitie bij het juiste eind heeft. Voorstanders van fractiedwang beroepen zich echter graag op het feit dat het volledig vrijlaten van het debat leidt tot oeverloze discussies, besluiteloosheid en een gebrek aan slagvaardigheid. De realiteit is dat er geen enkel bewijs bestaat dat dat standpunt onderschrijft. In tegendeel zelfs, in vrijwel alle landen die thans politieke partijen kennen, is eeuwenlang geregeerd op basis van vrij en open debat terwijl de kwaliteit van wetgeving destijds veelal beter was dan de van moderne partijpolitiek afkomstige wetten. Niet te verdedigen valt dat de snelheid van politieke besluitvorming sterk is vergroot dankzij coalitie- en fractiedwang, in tegendeel zelfs. Want coalitieafspraken en door fractiebesturen uitgezette lijnen zijn in de regel meer dan een beetje vaag en behoeven geregeld uitvoerige nodige bijstelling – al was het maar omdat coalitiepartners het alleen op hoofdpunten min of meer eens zijn met elkaar. Ondanks coalitieafspraken keren coalitiepartners zich – uiteraard ook dan ‘unaniem’ – soms tegen elkaar of laten ze uit electoraal eigenbelang kabinetten vallen.
Bovendien geldt dat ook vanuit het oogpunt van pragmatisme of slagvaardigheid snelheid lang niet altijd beter is dan gedegen beraadslaging. Tegenwoordig sneuvelen veel meer wetten bij de rechter en/of blijken veel meer wetten en regels in de praktijk niet of beperkt uitvoerbaar dan vroeger, omdat er simpelweg niet voldoende tijd en aandacht is besteed aan de totstandkoming ervan. Snelheid van regelgeving is uiteraard geen doel op zich en hoe dan ook niet belangrijker dan de kwaliteit van regelgeving. Uitsluitend partijbesturen en lijsttrekkers die vanuit electoraal belang vooral willen laten zien dat ze doen ‘wat ze hebben beloofd’ en dat belangrijker vinden dan het bereiken van en totstandbrenging van deugdelijke regelgeving en daadwerkelijke resultaten, geven de voorkeur aan snelheid boven alles. Hierdoor wordt vooral het amateuristische gehalte van veel moderne wetsvoorstellen duidelijk. In de tussentijd valt bij ‘parlementaire besprekingen’ ook vooral op hoe weinig Kamerleden nog de moeite nemen om überhaupt op te komen dagen omdat ze toch niets zinnigs kunnen of mogen inbrengen, hoe weinig aandacht de zogenaamd deskundige portefeuillehouders en fractieleiders schenken aan vragen van andere partijen, omdat hun mobiele telefoon veel interessanter is en hoe weinig de regering zich stoort aan protesten uit de Tweede Kamer, wetend dat hun over de absolute meerderheid beschikkende fracties en coalitiepartners hen toch wel onvoorwaardelijk zullen steunen. Ook geldt dat voor steeds meer mensen steeds duidelijker is dat de kwaliteit van wetgeving vanwege het ontbreken van deugdelijk parlementair debat, alsmede van het tekort aan individuele creativiteit, standvastigheid en deskundigheid van Kamerleden, dramatisch afneemt waardoor het vertrouwen in de politiek ernstig is beschadigd.
Tegenover de beweerde voordelen van fractiedwang staan die veel belangrijkere en ernstigere nadelen. Coalitie en fractiedwang leiden tot een cultuur van jaknikkers waarbij daadwerkelijk deskundige, zelfstandig denkende en creatieve (kandidaat-)Kamerleden, zo deze ter voorkoming van dwarsliggerij en doorkruising van de partijlijn niet al op voorhand zijn weg geselecteerd, de mond wordt gesnoerd waardoor geen, althans onvoldoende, sprake is van kritische reflectie, wellicht betere alternatieven niet aan bod komen en middelmatigheid en horigheid aan het partijbestuur de norm wordt. Naast de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van wetgeving is er sprake van een nog ernstiger gevaar. Coalitie- en fractiedwang doen namelijk afbreuk aan de waterscheiding tussen de Tweede Kamer en regering – en soms zelfs de scheiding tussen de Eerste en Tweede Kamer. Wanneer regeringsleden, die in de regel toch lid zijn van een politieke partij zich evenzeer laten regisseren door fractiebesturen en -leiders als Kamerleden dat doen – en onder het huidige kabinet is glashelder dat dit het geval is – gaat dat ten koste van de machtenscheiding met alle gevolgen van dien voor de kwaliteit van wetgeving en uitvoering van het daarop gebaseerde beleid. Een daadwerkelijk extraparlementair kabinet dat kan regeren op basis van wisselende Kamermeerderheden, kan uitsluitend bestaan wanneer fracties in de Tweede Kamer werkelijk dualistisch optreden en fractiebesturen en -leiders ook op geen enkele wijze druk kúnnen uitoefenen op de regering anders dan middels de normale van waarborgen voorziene bevoegdheden van de Tweede en Eerste Kamer. Coalitie- en fractiedwang is dan ook een onwenselijke vorm van machtspolitiek waarbij ministers en staatsecretarissen die al dan niet in coulissen onder strikte regie en gezag van fractiebesturen en -leiders staan, net als Kamerleden simpelweg chantabel zijn middels dreiging van consequenties voor hun posities bij verzet tegen de partijlijn.
De nadelen en gevaren van coalitie- en fractiedwang worden vooral onder, in praktische zin door vrijwel alle partijen omarmde, neoliberaal management te vaak onderschat. De hang naar eensgezindheid bij het stemmen en optreden leidt immers al te gemakkelijk tot dictatuur van de absolute meerderheid binnen een fractiebestuur en fractie, temeer daar de fractiedwang zoals gezegd wordt versterkt door een soortgelijke werking van de op tussen partijen gemaakte afspraken gebaseerde coalitiedwang. Daardoor is een inhoudelijk debat over beleid veelal al geëindigd voordat het begint. Vanwege de coalitie- en fractiedwang maakt het immers niet meer uit welke argumenten aan de door de regeringscoalitie uitgezette partijpolitieke lijn worden tegengeworpen, omdat een over de meerderheid van de Kamerzetels beschikkende regeringscoalitie daar toch aan zal (kunnen) blijven vasthouden aangezien, of liever gezegd zolang, de afzonderlijke Kamerleden binnen die fractie uit vrees voor sancties braaf doen wat hun fractiebesturen opdragen. Daarbij komt dat, als gevolg van het doorslaan van zwart-wit partijpolitiek, argumenten of voorstellen van buiten de ‘eigen’ partij door een fractiebestuur al worden verworpen om de enkele reden dat deze van buiten de fractie komen.
Hierdoor is onder het huidige kabinet niet alleen de sinds de negentiende eeuw bestaande, in art. 67 lid 3 Grondwet neergelegde, vrijheid van Kamerleden om zonder last of ruggenspraak te stemmen meer denkbeeldig dan ooit, maar is ook de staatsrechtelijke waterscheiding tussen regering en Staten-Generaal bijna geheel illusoir geworden, hoewel eerlijkheidshalve dient te worden opgemerkt dat de Eerste Kamer die scheiding enigszins in stand weet te houden omdat de huidige coalitie daar geen meerderheid heeft. Wel bestaat al langere tijd consensus over het feit dat constitutionele waarborging van wetgeving door de Tweede Kamer een wassen neus is. Immers, coalitie- en fractiediscipline mogen vanuit het managementdenken effectief lijken, maar zee resulteren in een applausmachine van stemvee dat klapt voor plannen van het fractiebestuur louter omdat het afkomstig is van het fractiebestuur en daarom uit eigenbelang zonder enige, althans significante, dissonantie wordt goedgekeurd. Dit is staatsrechtelijk en rechtstatelijk een (constitutioneel) uitermate bezwaarlijke ontwikkeling, omdat beleid niet langer wordt gemaakt of wordt besproken door hen die zijn verkozen omdat te doen, maar slechts als reeds voorgekookte brij door hen wordt doorgesluisd. Dat tast de deskundigheid en professionaliteit van de Kamerleden aan, temeer daar die daardoor niet langer vereist is en in de praktijk ook minder van belang is dan de bereidheid om te doen wat wordt opgedragen, hetgeen uiteraard een negatieve invloed heeft op de kwaliteit van wetgeving. Dat is normaliter al kwalijk genoeg, maar bij een regering onder de strakke regie van een partij die het eufemistisch gezegd niet zo nauw neemt met grond- en verdragsrechten is dat ronduit rampzalig.
En gevolgen blijven ook niet uit. Zo geldt dat Nederland nu kampt met een kabinet dat uitsluitend in naam extraparlementair is en zowel niet als wel tot de PVV behorende bewindslieden voortdurend op eieren lopen om Wilders niet voor het hoofd te stoten, uit vrees voor disciplinaire sancties en de voortdurend boven het hoofd gehouden val van het kabinet. Ook de constitutionele scheiding tussen Eerste en Tweede Kamer moet steeds vaker wijken, waarbij fractievoorzitters uit de Tweede Kamer met oneigenlijke dwang op senatoren uit de Eerste Kamer proberen wetsvoorstellen erdoor te drukken of de Eerste Kamer volledig proberen te omzeilen. Zo probeerde Yesilgöz – gelukkig tevergeefs – senatoren van haar partij in het keurslijf van de onder haar leiderschap ingezette partijlijn te dwingen. Gelukkig bleek haar macht over de gekozen volksvertegenwoordigers van haar partij veel minder absoluut dan die van Wilders over de zijne. Want gegeven de opzettelijke en doelgerichte veronachtzaming van de waarborging en noodzakelijke bescherming van onze fundamentele rechten door de PVV, moet men er niet aan denken dat Wilders middels coalitie- en fractiedwang daadwerkelijk ooit de absolute macht in handen krijgt.
