Het is verkiezingstijd. En anders dan bij andere recente verkiezingen, waarin de heren en dames lijsttrekkers gouden bergen beloofden of de ene ‘alternatieve waarheid’ aan de andere regen, meen ik nu heel veel pessimisme en problemen te horen in de verhalen die zij vertellen over ons land.
Publicist Mark Thiessen zei het onlangs in een bijdrage op LinkedIn treffend: “terwijl ik als kiezer juist behoefte heb aan optimisme en verhalen over wat WEL kan in ons land (…) Blijkbaar scoort het goed om kiezers in de put te praten. Als we het even niet meer zien zitten dan is het niet de taak van onze leiders om als een soort Tik Tok-algoritme nog verder te peuren in onze negatieve gevoelens. Of om ons te vertellen wie de schuldigen zijn. Het is de taak van onze leiders om ervoor te zorgen dat we ons weer oprichten. Als kiezers in de put zitten, zorg er dan voor dat we weer gaan geloven in ons land. In wat we samen voor elkaar gaan krijgen. “In wat mogelijk is.”
Thiessen (1982) werkte van 2010 tot 2017 op het Binnenhof voor de VVD, en is nu ondernemer en schrijver. Hij heeft een blogsite op Substack, ‘De Nieuwe Vrije Eeuw’ en schrijft blogs die vaak to-the-point zijn, is politiek columnist voor EW en momenteel schuift hij iedere woensdag om 17:40 aan bij BNR Nieuwsradio om te praten over de verkiezingscampagne. Hij klinkt fris, alhoewel vrij VVD’erig, met veel maakbaarheidsoptimisme voor een betere wereld waarvoor ik vanuit de VVD de afgelopen 15 jaar eerder het tegengestelde empirische bewijs heb gezien.
Doorgaans voel ik me zelf ook beter bij een verbindende – dat mag wel onderstreept – visie op waarnaartoe we als samenleving onderweg zijn. Zo’n visie is zeker geen peulenschilletje, midden in een transitietijdperk. Degene die dat wel het best heeft bewezen is oud-premier Mark Rutte. Die vond in 2013 – overigens in de periode dat Thiessen beleidsmedewerker en campagnestrateeg was – dat ‘visie is als een olifant die het zicht belemmert’. Vervolgens liet hij zijn zicht 14 jaar lang belemmeren door de concurrentie op uiterst rechts met Geert Wilders en diens PVV en het brandjes blussen bij de diverse debacles die onder zijn regie de revue passeerden. O ja, en passant zei hij in 2020, bij Linda de Mol op SBS nota bene, dat hij het zelf ook een “hele stomme opmerking” vond; “Dat had ik niet moeten doen. Het is zo blijven hangen.” Maar ondertussen liet hij het hangen en hing het 3 jaar later even vrolijk op Dilan Yesilgöz’ jokneus, die er voor de zekerheid ook haar eigen oogzenuwen nog maar bij liet doorsnijden – dat verklaart tenminste die dode blik.
Persoonlijk denk ik dat die pessimistische, negatieve groef waarin veel lijsttrekkers en andere politici op dit moment zitten, veel te maken heeft met het volslagen mislukte radicaal-rechtse experiment en ‘de kiezer’ enerzijds, en de lijsttrekkers en hun campagnestrategen anderzijds. Wat ik daarmee bedoel, zal ik proberen uit te leggen.
Het narratief dat er onvoldoende naar ‘de kiezer’ wordt geluisterd en dat grote groepen mensen zich ongehoord voelen, wordt er nu al een paar jaar constant ingehamerd. Enerzijds gaat dat volledig voorbij aan één van de andere primaire taken van politici: in begrijpelijke termen uitleggen wat er aan de hand is, wat we er zinvol aan kunnen doen en waarom we er precies dát aan moeten doen dat zij voorstellen en vervolgens openstaan voor feedback als maatregelen hun uitwerking krijgen. In plaats daarvan zien we vooral veel kippendrift, korte spanningsbogen, hijgerig gehype, morele verontwaardiging voor de bühne, enzovoorts, waardoor beleid en stabiliteit voor de langere termijn naar de achtergrond verdwijnen. Alles draait om instant gratification: cameramomentjes, berichtjes op X, aandacht, views, clicks; scoren, nu, voor dopamine, serotonine, oxytocine en endorfine, nu! Wie op die behoefte inspeelt, kan de illusie wekken te luisteren terwijl hij dat eigenlijk niet doet.
Anderzijds zit er absoluut een kern van waarheid in dat ‘niet luisteren’ en het zich niet gehoord voelen van kiezers. Als politicus moet je immers in staat zijn te laten merken dat je iets hebt gehoord en begrepen. Dat doe je door het eerst anders gezegd terug te geven en er vervolgens concreet iets aan te doen. Of door eerlijk te vertellen dat je er niets aan kunt doen; dat wat de ander dwars zit weliswaar een echt gevoel is, maar dat er dingen tegenover staan die je zwaarder (moeten) wegen, de Grondwet bijvoorbeeld of onze wetten. Of dat het te ingewikkeld is om er echt iets aan te doen en dat je de ander aanraadt om vooral open over zijn onvrede te blijven praten met degenen die het aangaat, omdat dat mag. Of dat je het wel gaat proberen, maar dat er ook veel andere zaken en belangen bij spelen of dat het veel tijd en moeite gaat kosten. Hoe dan ook moet je antwoord eerlijk en realistisch zijn en geen gemakkelijke, valse beloftes doen, anders raak je mensen vroeger of later kwijt.
Daarom denk ik ook dat het pessimisme als campagnestijl veel meer met (in)competentie te maken heeft, dan met niet luisteren of niet horen. Veel partijen missen een samenhangend verhaal en hebben momenteel als enige ambitie om mensen te laten horen wat zij denken dat die willen horen – te veel politici denken dat dat voldoet, als erkenning van de problemen en onvrede die mensen uiten. Maar veel kiezers willen die erkenning ook terughoren in realistische oplossingen of een eerlijk verhaal. Alleen hebben veel lijsttrekkers momenteel dat veelomvattende, verbindende, eerlijke verhaal niet.
Afgezien daarvan is de ene politicus beter dan de andere in zijn ‘oplossingen’ simpel of zelfs realistisch voordoen, terwijl die dat niet zijn. Maar zijn ze niet eerlijk, dan prikken kiezers daar een paar jaar later, na het falen, echt wel doorheen. De 11 maanden van het neergestorte, uitgebrande en door de natuur alweer overwoekerde kabinet Schoof waren daarvoor helaas alleen misschien iets te kort: net te weinig belastend bewijs voor een veroordeling wegens sabotage. Toch liegen politici als Wilders, Yesilgöz en Van der Plas veel gemakkelijker de boel bij elkaar dan Timmermans, Bontenbal of Jetten; het electoraat van eerstgenoemden luistert bij voorkeur niet naar argumenten, feiten en wetenschap, maar laat zich gemakkelijker overtuigen door gratuite oneliners.
Maar nu komt ’ie: achter de pessimistische toon van veel lijsttrekkers zit misschien ook wel iets heel cynisch. Want veel campagnestrategen zien heus ook wel de zwakte in de verdraaide of te rooskleurig voorgestelde werkelijkheid en het onrealistische in sommige (of veel) plannen, als die er al zijn. En daarbij: het zijn niet per se bestuurlijke en politieke visionairs, ze zijn keien in prioriteren, focussen, boodschap en verpakking, maar de meesten zullen bestuurlijke en inhoudelijke incompetentie ook wel herkennen. Toch dicteert één centraal thema hun keuzes: ze moeten nu scoren en zieltjes winnen en als je niet te veel belooft, kom je weg met ‘moord’. Wilders en Yesilgöz zijn daarvan de levende, leugenachtige bewijzen, Van der Plas vormt de uitzondering met haar gepeilde halvering van 8 naar 4 zetels – die haar ook omwille van haar gezondheid van harte is gegund.
Daarbij speelt ook dat kiezers politici meer op andere dingen zijn gaan afrekenen: buitenkant en soundbites, niet inhoud; imago en beperking van gezichtsverlies, niet een verbindende visie. In navolging daarvan volgt, waar vroeger de politiek de media volgde en wat die weergaf dat ‘de publieke opinie’ was, nu de media de politiek. De boodschap van politici wordt zorgvuldig verpakt met als beoogd effect de meeste kijkcijfers, views, clicks en likes op te leveren, en feiten en inhoud doen dat nu eenmaal niet. Emotie en de onderbuik aanspreken doen dat wel. Volgens mij hebben we daardoor al minimaal een jaar of tien à vijftien niet te maken met de meest inhoudelijk overtuigende en getalenteerde generatie volksvertegenwoordigers van ons leven, bij de grote uitdagingen waarvoor we staan – de goede uitzonderingen daargelaten natuurlijk.
Een gebrek aan inhoudelijk talent en visie vormen een risico op de iets langere termijn. Wat campagnestrategen dus nu doen lijkt op een soort anticiperende damage control. Hun afweging is: de problemen in het land zijn fors, het talent beperkt, dus wat kun je beloven dat je kunt waarmaken, aangezien je er later op zult worden afgerekend?
In die positie en dynamiek is het voor de campagnebreinen en de politici heel verleidelijk om te doen wat in underperforming bedrijven ook vaak wordt gedaan: under-promise and over-deliver. Anticiperen op mogelijk falen door de lat zo laag te leggen als door de kiezer nog wordt geaccepteerd – en op hoop van zegen dat je misschien net voldoende zichtbaar boven de lat eindigt om het onverwacht goed te doen. Daarmee kwamen kiezers met het kabinet Schoof dus als met een babbeltruc bedrogen uit. Als je op die manier je verhaal en je belofte aan de kiezer vormgeeft, wordt de spoeling inderdaad zo dun als hij nu in de campagne doorklinkt en vul je de zendtijd vanzelf met veel praten over de problemen en wiens schuld die zijn. Ook zondebokken doet het vaak lekker bij een achterban die op zoek is naar instant gratification.
Wie er wat minder lekker op gaan zijn mensen die liever rede, verstand en wijsheid en de moed van een leeuw, het hart van een olifant en de visie van een adelaar aan het woord willen horen en zien. Zoals jij en ik en ongetwijfeld een boel lezers hier.
