Drie jaar lang zat het OM er geharnast in: wethouder Richard de Mos, bekend om zijn ombudspolitiek, zou met een groep medeverdachten niet alleen ambtelijke corruptie hebben gepleegd, maar zelfs lid zijn geweest van een criminele organisatie. Dat laatste was vanaf het begin overtrokken, en vervolgens oordeelden de rechtbank Rotterdam en het Hof Den Haag dat ook van ambtelijke corruptie geen sprake was. De Mos en de zijnen zijn vrijgesproken.[1] Bewijs van het oogmerk van corruptie kon niet worden geleverd, al was het maar omdat de betrokkenen dit oogmerk van ‘voor wat hoort wat’ bleven ontkennen. Schending van het ambtsgeheim werd wel bewezen. Hier bespreek ik de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, omdat die wel erg schamper deed over de zaak, die even zo goed anders had kunnen aflopen.
Hoe onschuldig is ombudspolitiek?
Sommigen menen nu – begrijpelijkerwijs – dat De Mos ‘niets verkeerds heeft gedaan’. En toch: ook de rechtbank Rotterdam beschrijft dat er zaken niet volgens de regels en beginselen van integriteit zijn gebeurd. Alleen was de evidentie van strafrechtelijke omkoping niet aanwezig. De rechtbank beschrijft echter wel een aantal acties die ook haar de “wenkbrauwen deed fronzen”.
Volksvertegenwoordiger mag meer dan bestuurder
Allereerst valt op dat de rechtbank geen onderscheid maakt tussen De Mos als raadslid en als wethouder. Dat is merkwaardig, omdat je als raadslid van een bepaalde partij partijdig mag of zelfs moet zijn – wat overigens niet betekent dat je eenzijdig – en vooral zonder daarover transparant te zijn – voor het belang van een bepaalde ondernemer of burger moet gaan ijveren. Dan is sprake van wat Slingerland ‘vals spel’ noemt:
De democratie kan dus niet zonder ‘spel’ of ‘strijd’ in de vorm van macht en tegenmacht, maar dit dreigt te verdwijnen wanneer er wordt valsgespeeld. Valsspelen vindt plaats wanneer het speelveld te maken krijgt met ongekende belangen en invloeden. Dit is de druk die onze democratie op de proef stelt. (…) . Vals spelen kan op verschillende manieren. Door crimineel gedrag en door slecht bestuur.[2]
Risico voor weerbare democratie
Ombudspolitiek – het je laten informeren en inspireren door burgers of kiezers om op basis daarvan je politieke agenda te bepalen – is toegestaan. Maar er is wel een dun lijntje, waar ook lokale partijen zich bewust van moeten zijn. De vraag is of de raadsleden van Groep De Mos dat voldoende tussen de oren hebben. Want van crimineel gedrag was geen sprake, maar van goed, professioneel (dagelijks) gemeentebestuur ook niet.
Het algemeen belang moet, ook volgens de rechtbank, voorop staan. Als dit belang ‘toevallig’ ook in een individueel belang goed uitpakt, bijvoorbeeld vanwege de partijstandpunten, dan is dat uiteraard niet erg. Als dit echter eenzijdig (vanuit een wethouder) goed uitwerkt naar bepaalde bevriende (donerende) ondernemers, dan is dat een integriteitsprobleem. Al was het maar omdat een groep ondernemers duidelijk meer informatie ontving van de partij en De Mos dan alle anderen, omdat deze groep door de partij en De Mos actief werd benaderd over zaken en omdat De Mos als wethouder zich actief bemoeide met individuele besluitvorming ten aanzien van zijn bevriende ondernemers, zelfs op portefeuilles waar hij niet over ging.
Schending staats- en bestuursrechtelijke grenzen
De integriteitsregels van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht waren dus wel degelijk in het geding. De grens wordt daar al getrokken bij de ‘schijn van’: die grens is door De Mos als wethouder overschreden. Alleen: als niemand hierover in beroep gaat bij de rechter, is er geen middel tegen om dit te voorkomen. En het lastige is dat bij een rechtsgang de bestuursrechter schending van deze integriteitsregels op volstrekt onvoldoende wijze toetst.[3]
Van een wethouder, lid van een collegiaal bestuur, belast met uitvoerende taken en niet met volksvertegenwoordiging, wordt een hogere mate van onpartijdigheid en distantie verwacht. Niet voor niets is er al sinds 1993 sprake van dualisering van het gemeentebestuur, juist om de volksvertegenwoordigende en controlerende kant van het openbaar bestuur en de bestuurlijke (professionele) kant ervan duidelijk van elkaar te scheiden. Dat is in de meeste gemeenten – vanwege de sterke banden met raadsfracties – niet goed gelukt, en in de landelijke politiek blijft dit ook een ingewikkelde uitdaging, iets dat we met name zagen in de relatie met het kabinet-Schoof.
De rechtbank beschrijft diverse zaken waarbij een beeld naar voren komt dat dualisering bij Groep De Mos niet bestond. Én ook dat wethouder De Mos zich ook nog wel erg warm verhield tot een groep ondernemers en niet tot alle ondernemers op gelijkwaardige wijze. En de rechtbank vindt dat begrijpelijk en goed te praten. Dat is een te gemakkelijk oordeel, dat geen recht doet aan de harde oordelen van GRECO en de OESO richting Nederland. Het is misschien begrijpelijk, maar niet te rechtvaardigen.
Dat ten tijde van de giften aan Groep De Mos strafbare omkoping aan beide zijden niet kon worden bewezen, maakt niet dat het handelen van De Mos als wethouder professioneel, onpartijdig, transparant en dus integer (eerlijk en zuiver) was. Het risico op netwerkcorruptie en favoritisme is met deze laagdrempelige vorm van politiek bedrijven wel degelijk levensgroot aanwezig, dat laat deze uitspraak juist goed zien. Zeker een wethouder dient hier verre van te blijven, al was het maar in zijn eigen belang – want de schijn van ‘vriendjespolitiek’ laadt hij met zijn handelswijze opzichtig op zich.
Nederlands bestuursrecht nog steeds naief
In Nederland is er in het recht – met name het bestuursrecht – onvoldoende aandacht voor integriteit. Terwijl hier internationaal veel aandacht voor is, blijven de rechtswetenschap en de wetgever -bewust- naïef. Ondanks de duidelijke waarschuwingen hiervoor is de minister van BZK – waar zowel bestuurswetgeving als integriteit huizen – aan de slag gegaan met aanpassing van de Algemene wet bestuursrecht om deze burgergerichter te maken. Dat is uiteraard prima, maar deze burgergerichtheid heeft hetzelfde grote risico op integriteitsproblemen als ombudspolitiek: te dichtbij de ene burger staan, en dus te weinig oog hebben voor onpartijdigheid, rechtsgelijkheid en mogelijk problemen met favoritisme en uitsluiting. Dat noemen we responsivisme.
| Responsivisme is ‘doorgeslagen responsiviteit’ “Responsiviteit en klassieke rechtsstatelijkheid werken in de ideale situatie als contragewichten voor een optimale gerichtheid op (dezelfde) waarden: gelijke rechtvaardigheid voor iedere burger en voor de samenleving als geheel. Als deze echter niet langer als waarde, maar als doel in zichzelf beschouwd gaan worden, verdwijnen de genoemde waarden uit het zicht.(…)Belangrijke rechtsstatelijke waarden als legaliteit, rechtsgelijkheid en objectiviteit worden soms ondergeschikt gemaakt aan de ‘wens tot menselijkheid’, wat leidt tot uitsluiting en favoritisme. Sommigen krijgen ‘te veel’, anderen (dus) ‘te weinig’ – gelet op de relevante feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beslissing. (…) Bij responsivisme hoort pathologisch inzetten van ‘maatwerk’, ‘prettig contact’, ‘passend contact’ en ‘responsieve overheid’. De waarschuwing tegen responsivisme is bepaald niet nieuw. In feite is onze rechtsstaat oorspronkelijk voortgekomen uit de wens om machtsmisbruik in de zin van uitsluiting, maar ook nepotisme en favoritisme te bestrijden.”[4] |
[1]https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Rotterdam/Nieuws/Paginas/Vrijspraak-voor-Richard-de-Mos-in-corruptiezaak.aspx; https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Gerechtshoven/Gerechtshof-Den-Haag/Nieuws/Paginas/Wethouders-vrijgesproken-van-omkoping-en-veroordeeld-voor-schending-geheimhoudingsplicht.aspx.
[2] W. Slingerland, Op zoek naar weerbare democratie, lectorale rede, p. 3 – 4.
[3]https://www.researchgate.net/publication/369658986_AFDELING_MAAKT_GEEN_WERK_VAN_INTEGRITEITSVRAGEN.
[4]https://www.carolineraat.nl/wp-content/uploads/2023/04/Ambtelijk-vakmanschap-Doe-wat-werkt-Bestuurskunde-2023-1.pdf.
