Armoede is een groot maatschappelijk probleem. Dat probleem zou intensief bestreden moeten worden, en daar is heel veel voor nodig. En dan gaat het niet alleen om het verhogen van het minimumloon en het verlagen van lasten, maar vooral ook om het verkrijgen van hulp te vereenvoudigen. De complexiteit van armoede maakt die hulp niet alleen dringend noodzakelijk, maar ook dat die op allerlei vlakken geleverd moet worden. En dat begint, zoals heel veel, bij de gemeenten.

Zelf heb ik het geluk gehad dat ik twee relatief korte perioden van ‘armoede’ heb gekend, waar de periode in mijn jeugd de meeste indruk heeft gemaakt. Mijn moeder was in de bijstand beland, en dat maakte dat ik de laatste jaren van mijn middelbare school meermaals zonder ontbijt en lunchpakket het huis verliet. Dat was niet gemakkelijk, maar helaas onveranderlijk. Mijn moeder had een vak in haar vingers waarin geen droog brood te verdienen viel, en werk was er begin en midden jaren ’80 van de vorige eeuw ook erg weinig. Toen ik in dienst moest was mijn moeder daar niet blij mee, maar het loste wel een probleem op. Eén mond minder te voeden.

Om armoede goed te begrijpen heb ik veel gehad aan de boeken van Tim ‘S Jongers en Milio van de Kamp. ‘S Jongers legt uit hoe armoede mensen vormt en eigenlijk handicapt in hun leven. Van de Kamp laat zien hoe armoede onze bewierookte meritocratie in negatieve zin beïnvloedt, maar ook hoe armoede bijvoorbeeld docenten en jeugdwerkers aanzet tot het remmen van mensen in hun wil om iets te bereiken: ‘Mik maar iets lager’. Beide heren zijn ontstegen aan hun sociale klasse met de problematische omstandigheden en de ellende die daarbij hoort, en hebben het op zich genomen om ons, de beter gesitueerden, uit te leggen en te leren wat armoede is, hoe het werkt en wat het met mensen doet.  

Wat ‘S Jongers laat zien is dat arm zijn een zeer zware baan is met zeer lange werkdagen. Wie arm is moet allereerst ervoor zorgen dat hij het spaarzame geld zo goed mogelijk besteedt. Dat betekent letterlijk het aflopen van aanbiedingen, uitvlooien van foldertjes, en het afleggen van vaak behoorlijk grote afstanden om bij de juiste verkooppunten te komen. Dat lijkt vermakelijk, maar is het niet. Vaak hebben arme mensen geen ander vervoer dan zichzelf, en het geld niet om de bus te nemen. Als er een fiets beschikbaar is dan is dat een groot bezit. De kunst is daarenboven om geld níet uit te geven. En dat is in onze neoliberale maatschappij nagenoeg onmogelijk.

Aan de armoedige inkomstenkant is het al niet veel rustiger. Wie van een uitkering leeft moet verantwoording afleggen over zijn recht op die uitkering. Arbeidsongeschikten moeten bijvoorbeeld hun arbeidsongeschiktheid steeds maar weer opnieuw aantonen, ook als ze zodanig ziek of gehandicapt zijn dat iedereen kan bevroeden dat die arbeidsongeschiktheid nooit meer terugkomt – geamputeerde ledematen groeien bijvoorbeeld nooit meer aan bij mensen, net zo min als iemand die met zware gebreken aan een rolstoel is gekluisterd niet spontaan gaat lopen. Mensen die bijstand krijgen- eufemistisch een ‘participatie-uitkering’ genaamd – moeten zich periodiek door een soortgelijk parcours worstelen. Nu is in het geval van bijstand wel te beargumenteren dat er toezicht moet zijn, maar er is een aanzienlijk bestand van bijstandsgerechtigden waarvan we allemaal weten dat ze nooit meer een betaalde baan zullen kunnen krijgen of zich erin kunnen handhaven. Desondanks mogen die mensen periodiek komen uitleggen wat er ook alweer aan de hand is, ook als de beoordelaar het verhaal voor de zoveelste keer hoort en precies weet wat er aan de hand is. Het systeem vereist het, en dat zal dus bevredigd moeten worden om de uitkering te kunnen behouden.

Om het allemaal nog wat vrolijker te maken kent de ‘participatie-uitkering’ de mogelijkheid om de uitkeringsgerechtigde een plicht tot contra-presteren op te leggen. In de praktijk komt dat neer op het verrichten van gratis arbeid waar de overheid op een andere manier niet aan kan komen wegens budgettaire restricties, zoals het verwijderen van zwerfafval uit groenvoorzieningen. Om het allemaal verantwoord te maken worden de participeerders uitgerust met een fluorescerend veiligheidsvest, waardoor ze duidelijk als zodanig herkenbaar zijn. Veiligheid voorop, natuurlijk….. Dit ‘werken voor je uitkering’ is in feite eenaantasting van ons sociale contract, dat zegt dat mensen adequaat beloond moeten worden voor arbeid tegen tenminste het minimumloon. De genoten participatie-uitkering ligt immers ruim lager.

Alsof dat allemaal nog niet genoeg is komt daar het dagelijkse geworstel met instanties er nog bij. De energiekosten zijn hoog – niet vanwege de kosten van een kubieke meter gas of een kilowatt elektriciteit, maar door de steeds verder stijgende energiebelastingen. Dan zijn er nog de stijgende kosten van huisvesting, zeker als mensen gedwongen buiten sociale woningvoorzieningen moeten wonen. Verder zijn er nog de zorgverzekering met het ingebouwde eigen risico, die er samen voor zorgen dat het rijtje aan moetjes in het toch al krappe budget aardig wat geld opsouperen. Arme mensen zijn bang voor toeslagen, vanwege de plicht om die terug te moeten betalen als er ergens iets niet helemaal goed is gegaan, of dat men stomweg vergeten is een verandering in de persoonlijke omstandigheden te verwerken in de aanvraagsystemen. Iedereen die arm is heeft een zekere angst voor de overheid ontwikkeld, zeker omdat al die mensen tenminste één persoon kennen die door de Dienst Toeslagen of de Belastingdienst wel een keer is aangepakt.

Last but not least bestaat er binnen de overheid een instantie die allerlei niet-openbare informatie, zoals het rekeningverloop op bankrekeningen verzamelt, analyseert en uitkeringsinstanties ‘signalen’ stuurt als uitkeringsgerechtigden (en dat is inclusief mensen die bijvoorbeeld studiefinanciering genieten) een uitgavenpatronen laten zien die van de standaardpatronen in de big data afwijken. De enige manier om dat te voorkomen is alle transacties contant afwikkelen en kassabonnen bewaren voor de tandenborsteltellers van de sociale dienst of wat daarvoor door moet gaan.

Wat ik hier schets is een zeer beperkt beeld van wat armoede met een uitkering is – ik kan moeiteloos nog tien pagina’s doorgaan om u een gedetailleerd beeld te schetsen van hoe dat functioneert en wat het doet met iemand doet. Armoede met een baan is zo mogelijk nog erger, omdat er minder mogelijkheden zijn om een beroep op sociale financiële ondersteuning te doen. De bewijslast is nóg zwaarder – je gelooft het niet, maar het is wel zo.

Goed, en dan ben je arm en woon je in de gemeente Boerenkoolstronkeradeel, je doet je best om zo goed mogelijk binnen de lijnen te kleuren en geen financiële ongelukken te maken.

Gemeenten weten op basis van hun onderzoeken precies waar mensen wonen die het niet zo breed hebben. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet, die toeziet op onder meer inkomensvoorziening voor hen die daar (even) niet zelf in kunnen voorzien. Dat tussen haakjes geplaatste ‘even’ is hier van cruciale betekenis, want dat is de determinant van de handhaving en de opgelegde plicht tot herbeoordelen. De gemeente staat zelf onder toezicht van de inspectiediensten van de diverse ministeries, die toezien op correcte en volledige uitvoering van de wet. De gemeenten moeten dus een koers varen die enerzijds ervoor zorgt dat uitkeringsgerechtigden krijgen waar ze recht op hebben (en geen cent teveel!), en anderzijds de handhavers tevredenstelt ten aanzien van de kwaliteit van hun processen. Dat is niet alleen ingewikkeld, maar ook kostbaar.

Gemeenten zetten vaak structuren op om mensen die het niet breed hebben te helpen om aanspraak te maken op voorzieningen. Om die structuren goed te laten werken is er mankracht nodig, waar de meeste gemeenten om een aantal redenen gebrek aan hebben. Allereerst is er vaak niet genoeg geld om voldoende helpende ambtenaren aan te stellen. Vervolgens is niet genoeg geld om voorzieningen in de buurt van de mensen te brengen. Dus is men afhankelijk van vrijwilligersorganisaties die mensen helpen met het indienen van aanvragen, het beantwoorden van aanvullende vragen en het afleggen van verantwoording. Ik zie dat gemeenten hun best doen om die vrijwilligersorganisaties te helpen om in positie te komen en te blijven – maar het zijn en blijven vrijwilligersorganisaties met de professionaliteit die daar vaak bij hoort – variërend van slechts goedwillenden tot uiterst deskundigen, maar nog steeds: amateurs.

Het fijnvertakte netwerk van instanties maakt het voor de hulpvrager ook niet gemakkelijk om het juiste loketje te vinden. Pogingen om dat te vereenvoudigen helpen veelal, maar stranden even vaak. Daarom proberen gemeenten de netwerken van hulpverleners en -organisaties te coördineren en te laten samenwerken. Omdat de organisaties vaak niet alleen verschillende statussen hebben (overheid, semi-privaat, privaat tot non-gouvernementeel aan toe) maar ook verschillend gefinancierd worden werkt dat vaak lastig. Zorg en hulp organiseren in de nabijheid van de hulpbehoevende valt zo dus niet mee, en is en blijft een onvervreemdbare taak van de gemeenten.

Mensen die arm zijn en in een omgeving verkeren waar iedereen min of meer arm is lopen het risico nooit de armoede achter zich te kunnen laten. Omdat armoede ook een leeftijdsgebonden fenomeen is (veel ouderen worden arm nadat ze het arbeidsproces verlaten hebben) zien we ook hier een factor opduiken die onveranderbaar is: leeftijd. Armoede is dus een multi-factor probleem, dat alleen met brede en grondige interventies opgelost kan worden. Gemeenten hebben daar een rol in, maar die blijft beperkt tot zorg en primaire voorzieningen, zoals wonen en toegang tot gezondheidszorg en sociale voorzieningen. Inkomensbeleid is immers opgedragen aan de landelijke overheid, evenals fiscaliteit. Gezondheidszorg is een factor waar de gemeenten via de WMO en Jeugdwet invloed op kunnen uitoefenen. Schuldhulp wordt veelal georganiseerd vanuit maatschappelijk werk en gemeentelijke kredietbanken. Schuldpreventie daarentegen is een onontgonnen terrein – we zien consumentenrechten en consumentenbescherming door digitalisering ondergraven worden. Het ‘schuldmaatjes-project’ komt op zijn vroegst pas in beeld als het fout dreigt te gaan, maar meestal pas als het al fout is gegaan – te laat dus.

Dan is er nog de groep van stille armen. Mensen die botje bij botje leggen, zonder ooit een beroep te doen op regelingen en fondsen. Armoede is vernederend, en de schaamte vaak zo groot dat mensen zich letterlijk groot houden. Ik zie in mijn woonplaats mensen die arm zijn – ik herken ze aan hun houding, en hun tot in de puntjes verzorgde maar sjofele kleding en het feit dat ze nooit ergens binnen zullen gaan om een kopje koffie te drinken. Ze hebben er eenvoudig het geld niet voor, maar wat ze wel hebben is hun trots. Nu mogen we op 18 maart aanstaande een vakje rood maken, en zo leden van onze gemeenteraad kiezen. Vindt u armoede ook verschrikkelijk, in ons  puissant rijke land? Doet u dan alstublieft eens de moeite om de verkiezingsprogramma’s van uw lokale partijen te lezen en kijk wat partijen met armoede willen doen. Kijk dan ook even of ze per ongeluk de afgelopen jaren in het college zaten en écht iets bereikt hebben voor u en uw arme medeburgers. Als dat niet het geval is, dan weet u weer wat meer over roepen en niets bereiken.


Milio van de Kamp, Misschien moet je iets lager mikken, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2023

Tim ‘S Jongers, Armoede uitgelegd aan mensen met geld, De Correspondent, 2024